Bewijslast bij verzekeringsfraude – wie moet wat bewijzen?

23 maart 2026
Foto van Arslan Advocaten

Arslan Advocaten

Snel hulp nodig?
Drag & Drop Files, Choose Files to Upload Je kunt tot 5 bestanden uploaden.

Kies een vestiging

Wij gebruiken uw gegevens alleen om contact met u op te nemen over uw vraag. Lees hoe wij daarmee omgaan in onze privacyverklaring.

De bewijslast bij verzekeringsfraude is een van de meest bepalende factoren in geschillen tussen verzekerden en verzekeraars. Wanneer een verzekeraar u beschuldigt van fraude en op die grond uw claim afwijst, rijst onmiddellijk de vraag: wie moet wat bewijzen? Moet u aantonen dat u niet heeft gefraudeerd, of moet de verzekeraar bewijzen dat u wel heeft gefraudeerd? Het antwoord op deze vraag kan het verschil maken tussen een succesvolle verdediging en een verloren zaak. In dit artikel wordt uitgelegd hoe de bewijslast bij verzekeringsfraude is verdeeld, welke eisen aan het bewijs worden gesteld en hoe u hiermee uw voordeel kunt doen.

Geschreven door Onur Arslan, advocaat bij Arslan Advocaten. Ingeschreven in het rechtsgebiedenregister van de Nederlandse orde van advocaten voor arbeidsrecht en letselschade. Laatst bijgewerkt: 17 september 2026.

Het uitgangspunt: de verzekeraar draagt de bewijslast

Het Nederlandse bewijsrecht gaat uit van de hoofdregel dat degene die zich beroept op het rechtsgevolg van bepaalde feiten, de bewijslast draagt van die feiten. Bij verzekeringsfraude betekent dit in de kern dat de verzekeraar die stelt dat er fraude is gepleegd, dit moet bewijzen. De bewijslast bij verzekeringsfraude ligt dus in beginsel bij de verzekeraar. Concreet houdt dit in dat de verzekeraar moet aantonen dat de verzekerde opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven met het doel de verzekeraar te misleiden. Het enkele vermoeden van fraude is onvoldoende. De verzekeraar moet concrete feiten en omstandigheden aanvoeren die de beschuldiging van fraude onderbouwen. Slaagt de verzekeraar hier niet in, dan kan hij de uitkering niet op grond van fraude weigeren.

Artikel 7:941 lid 5 BW: het wettelijk kader

De wettelijke basis voor het weigeren van een uitkering wegens fraude is artikel 7:941 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek. Dit artikel bepaalt dat het recht op uitkering vervalt indien de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde een verplichting als bedoeld in de voorgaande leden niet is nagekomen met het opzet de verzekeraar te misleiden. De kernwoorden zijn hier “opzet de verzekeraar te misleiden”. Het is niet voldoende dat de verstrekte informatie onjuist was; de verzekeraar moet bewijzen dat de onjuiste informatieverstrekking opzettelijk was en gericht op misleiding.

Wat moet de verzekeraar bewijzen?

De bewijslast bij verzekeringsfraude brengt voor de verzekeraar drie specifieke bewijsverplichtingen met zich mee.

Onjuiste of onvolledige informatieverstrekking

Ten eerste moet de verzekeraar aantonen dat de verzekerde daadwerkelijk onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt. Dit kan gaan om het overdrijven van de schade, het verzinnen van een schadegebeurtenis, het achterhouden van relevante informatie bij de schademelding of het vervalsen van documenten. De verzekeraar moet die onjuistheid onderbouwen met concrete bewijsmiddelen, zoals:

  • expertiserapporten;
  • getuigenverklaringen;
  • documentanalyse;
  • technisch of digitaal onderzoek.

Opzet tot misleiding

Het bewijs van opzet tot misleiding is voor de verzekeraar doorgaans het lastigste onderdeel. Opzet is een innerlijke gesteldheid die niet direct waarneembaar is. De verzekeraar moet uit de feiten en omstandigheden afleiden dat de verzekerde de intentie had om te misleiden. Hierbij wordt gekeken naar factoren zoals de aard en omvang van de onjuistheid, de mate waarin de verzekerde had moeten weten dat de informatie onjuist was, eventuele financiële motieven en het gedrag van de verzekerde tijdens het onderzoek.

Causaal verband

De verzekeraar moet ook aannemelijk maken dat er een verband bestaat tussen de onjuiste informatieverstrekking en de verzochte uitkering. Als de onjuiste informatie geen invloed heeft op het recht op uitkering of de hoogte daarvan, is er mogelijk geen sprake van misleiding in de zin van de wet.

De bewijslast van de verzekerde

Hoewel de primaire bewijslast bij de verzekeraar ligt, heeft ook de verzekerde een bewijspositie. De verzekerde draagt in beginsel de bewijslast voor het bestaan van de verzekerde gebeurtenis en de omvang van de schade. Dit betekent dat u als verzekerde moet aantonen dat er een gedekt schadevoorval heeft plaatsgevonden en wat de omvang van de schade is. In de praktijk leidt dit tot een wisselwerking. Als de verzekerde aantoont dat er een gedekt evenement heeft plaatsgevonden, verschuift de aandacht naar de verzekeraar die moet bewijzen dat er desondanks sprake is van fraude. De bewijslast bij verzekeringsfraude is dus geen eenrichtingsverkeer maar een dynamisch proces waarbij beide partijen hun stellingen moeten onderbouwen.

Bewijsmiddelen die de verzekeraar gebruikt

Verzekeraars maken gebruik van diverse bewijsmiddelen om fraude aan te tonen. Het kennen van deze bewijsmiddelen helpt u om uw verweer voor te bereiden.

Expertiserapporten De verzekeraar schakelt regelmatig experts in om de oorzaak en de omvang van de schade te beoordelen. Een brand-expert kan vaststellen of een brand al dan niet is aangestoken, een auto-expert kan beoordelen of de schade past bij het opgegeven scenario en een bouwkundig expert kan de omvang van bouwschade vaststellen. De conclusies van deze experts spelen een belangrijke rol in de bewijsvoering van de verzekeraar.

Getuigenverklaringen Verklaringen van getuigen, buren, collega’s of andere betrokkenen kunnen door de verzekeraar worden gebruikt om de schademelding te weerleggen. Ook verklaringen die de verzekerde zelf

heeft afgelegd tijdens een vraaggesprek met de onderzoekers van de verzekeraar kunnen als bewijs dienen, met name als deze verklaringen tegenstrijdigheden bevatten.

Technisch en digitaal bewijs

Verzekeraars maken in toenemende mate gebruik van technisch en digitaal bewijs. Denk aan camerabeelden, GPS-gegevens, telefoongegevens, bankafschriften en sociale media. Als iemand claimt dat zijn auto is gestolen terwijl de GPS-gegevens laten zien dat de auto naar een bepaalde locatie is gereden, vormt dit krachtig bewijs voor de verzekeraar.

Observaties en persoonlijk onderzoek

In sommige gevallen laat de verzekeraar de verzekerde observeren door een recherchebureau. De resultaten van observaties kunnen als bewijs worden gebruikt. Het onderzoek moet dan wel voldoen aan de AVG: de verzekeraar moet een gerechtvaardigd belang hebben, het middel moet in verhouding staan tot dat belang en er mag geen minder ingrijpende manier zijn om de feiten vast te stellen (proportionaliteit en subsidiariteit). De Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Verzekeraars werkt de privacyregels voor verzekeraars verder uit, en een ingeschakeld recherchebureau moet zich houden aan de Privacygedragscode sector particuliere onderzoeksbureaus. De oude Gedragscode Persoonlijk Onderzoek is per 1 januari 2024 ingetrokken, maar kan nog een rol spelen bij onderzoek dat daarvóór plaatsvond. Observaties die in strijd met deze regels zijn verkregen, kunnen als onrechtmatig verkregen bewijs worden aangemerkt. Of de rechter ze dan buiten beschouwing laat, hangt af van de omstandigheden van het geval.

Verweer tegen het bewijs van de verzekeraar

Als de verzekeraar bewijs aanvoert voor verzekeringsfraude, heeft u verschillende mogelijkheden om dit bewijs te betwisten.

Contra-expertise

U kunt een eigen deskundige inschakelen die een contra-expertise uitvoert. Als de contra-expert tot andere conclusies komt dan de expert van de verzekeraar, verzwakt dit de bewijspositie van de verzekeraar. Een verschil van inzicht tussen experts kan voldoende zijn om twijfel te zaaien over de juistheid van de conclusies van de verzekeraar.

Betwisting van de betrouwbaarheid

U kunt de betrouwbaarheid van het bewijs van de verzekeraar betwisten. Als het expertiserapport methodologische gebreken vertoont, als getuigenverklaringen tegenstrijdig zijn of als technisch bewijs op onjuiste wijze is verkregen, kunt u dit aanvoeren als verweer. Een ervaren advocaat kan de bewijsvoering van de verzekeraar kritisch analyseren en zwakke punten identificeren.

Onrechtmatig verkregen bewijs

Als het bewijs op onrechtmatige wijze is verkregen, bijvoorbeeld door observaties zonder redelijk vermoeden van fraude of door schending van de privacy, kunt u aanvoeren dat dit bewijs buiten beschouwing moet worden gelaten. De rechter weegt in dat geval af of het gebruik van het bewijs, ondanks de onrechtmatige verkrijging, toch gerechtvaardigd is in het licht van de omstandigheden.

Drie uitspraken die de maatstaf bepalen

De regels hierboven zijn geen algemeenheden; zij komen uit concrete rechtspraak. Deze drie uitspraken bepalen in de praktijk waar het over gaat. Let wel: elke uitspraak is gewezen in een eigen feitencomplex en is geen garantie voor de uitkomst in uw zaak.

HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:311: wat "opzet tot misleiding" betekent

De Hoge Raad legde uit hoe artikel 7:941 lid 5 BW moet worden toegepast. Onderzocht moet worden of bij de schending van de inlichtingenplicht "de bedoeling heeft voorgezeten de verzekeraar te bewegen tot het verstrekken van een uitkering die hij zonder die schending niet zou hebben verstrekt" (rechtsoverweging 3.1.5). De Hoge Raad zocht daarbij uitdrukkelijk aansluiting bij de identieke bewoordingen in artikel 7:930 lid 5 BW, omdat verval van recht een verstrekkende sanctie is.

Waarom dat voor u uitmaakt: de klacht dat ook voorwaardelijk opzet onder de bepaling valt, werd verworpen. Slordigheid, vergeetachtigheid of een onhandige formulering is dus niet genoeg. De verzekeraar moet de bedoeling aantonen. In de zaak zelf hield het oordeel stand dat die bedoeling niet kon worden aangenomen, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verzekerde en de stand van een lopende procedure tussen partijen.

HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:507: dezelfde maatstaf bij het aangaan van de verzekering

Dit is de uitspraak waaraan de Hoge Raad in 2020 aansluiting zocht. Zij gaat over artikel 7:930 lid 5 BW: het recht op uitkering vervalt als de verzekeringnemer zijn mededelingsplicht heeft geschonden met de bedoeling de verzekeraar te bewegen een overeenkomst aan te gaan die hij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten.

Uit dezelfde uitspraak volgt ook iets praktisch: tegen het oordeel dat er opzet tot misleiding was, staat tegenbewijs open. In die zaak strandde het beroep daarop alleen omdat de verzekerde wél bewijs had aangeboden van de omvang van zijn schade, maar niet van het ontbreken van opzet. Een bewijsaanbod moet dus op het juiste punt zijn toegespitst.

HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:942: de grenzen aan persoonlijk onderzoek

Deze uitspraak gaat over de manier waarop de verzekeraar aan zijn bewijs komt. De Hoge Raad oordeelde dat handelen in strijd met de toen geldende Gedragscode Persoonlijk Onderzoek van het Verbond van Verzekeraars een onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer oplevert. De ernst van die inbreuk moet worden afgewogen tegen de belangen die de verzekeraar ermee dient, waarbij de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit gelden. Die gedragscode is per 1 januari 2024 ingetrokken. Voor onderzoek van na die datum wordt teruggevallen op de algemene beginselen van de AVG (artikel 5 en artikel 6 lid 1 onder f), waarin de toets aan proportionaliteit en subsidiariteit terugkomt (conclusie van de advocaat-generaal, ECLI:NL:PHR:2026:172, onder 3.15).

Belangrijke nuance, en die wordt vaak overgeslagen: onrechtmatig verkregen bewijs is in een civiele procedure niet automatisch onbruikbaar. Artikel 152 Rv kent vrije bewijsleer. Uitsluiting van het bewijs is alleen aan de orde als bijkomende omstandigheden dat rechtvaardigen. De Gedragscode zelf is bovendien geen recht in de zin van artikel 79 RO, wat betekent dat de Hoge Raad de uitleg ervan niet als rechtsvraag toetst.

Praktisch gevolg: wijzen op een geschonden gedragscode is zinvol, maar niet genoeg. Het verweer moet ook onderbouwen waarom juist in dit geval uitsluiting gerechtvaardigd is, of welke gevolgen de onrechtmatigheid los daarvan moet hebben.

Het verschil tussen civielrechtelijk en strafrechtelijk bewijs

Het is belangrijk om te weten dat de bewijslast bij verzekeringsfraude in civiele procedures anders werkt dan in strafrechtelijke procedures. In het strafrecht geldt het principe dat fraude “buiten redelijke twijfel” moet worden bewezen. In het civiele recht hanteert de rechter een lager bewijsniveau: het bewijs moet voldoende overtuigend zijn, maar absolute zekerheid is niet vereist.

Dit betekent dat een verzekeraar in een civiele procedure soms kan slagen in zijn bewijs waar een strafrechtelijke veroordeling niet haalbaar zou zijn.

Voorshands bewijs en tegenbewijs: niet hetzelfde als omkering

Hier ontstaat in de praktijk de meeste verwarring, en het verschil is voor uw positie wezenlijk.

Omkering van de bewijslast betekent dat de bewijslast zelf verschuift: niet de verzekeraar moet dan bewijzen dát er is misleid, maar u moet bewijzen dat er géén misleiding was. Dat kan alleen op grond van een bijzondere regel of wanneer de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling meebrengen (art. 150 Rv). Dat is uitzonderlijk, en sterke aanwijzingen voor fraude zijn daarvoor op zichzelf niet genoeg.

Wat wél regelmatig gebeurt, is iets anders: de rechter acht het bewijs van misleiding op grond van de aangevoerde stukken voorshands geleverd en laat u vervolgens toe tot tegenbewijs. Dat is geen omkering. Twee verschillen die in uw voordeel werken:

  • De bewijslast blijft bij de verzekeraar. Blijft het na het tegenbewijs onzeker, dan komt dat voor zijn risico.
  • U hoeft het tegendeel niet te bewijzen. Het volstaat om het voorshands aangenomen bewijs te ontzenuwen, dus voldoende twijfel te zaaien over de conclusie van de verzekeraar.

Stelt de verzekeraar dat de bewijslast is omgekeerd omdat er “sterke aanwijzingen” zijn, dan is dat dus een aanvechtbaar standpunt. Vraag op welke rechtsregel hij die omkering baseert.

De rol van het Kifid bij bewijsgeschillen

Het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening speelt een belangrijke rol in geschillen over de bewijslast bij verzekeringsfraude. Bij het Kifid kunt u terecht als u het niet eens bent met de wijze waarop de verzekeraar het bewijs heeft verzameld of de conclusies die daaruit zijn getrokken. De geschillencommissie van het Kifid beoordeelt of de verzekeraar voldoende bewijs heeft aangedragen en of dit bewijs op rechtmatige wijze is verkregen. Het Kifid heeft in talrijke uitspraken geoordeeld over de bewijslast bij verzekeringsfraude en biedt daarmee een waardevolle bron van houvast voor verzekerden die worden beschuldigd van fraude. Een procedure bij het Kifid is laagdrempeliger dan een gang naar de rechtbank en voor consumenten kosteloos; kleinzakelijke ondernemers betalen een eigen bijdrage van € 250. Het is echter wel raadzaam om ook bij een Kifid-procedure juridische bijstand te zoeken, omdat de bewijsrechtelijke aspecten van fraudezaken specialistische kennis vereisen. Een advocaat kan u helpen om uw verweer optimaal te onderbouwen en de zwakke punten in de bewijsvoering van de verzekeraar bloot te leggen.

Waar het bewijs daarna nog een rol speelt

De bewijsdiscussie stopt niet bij de afwijzing van de claim. Dezelfde stukken bepalen of een registratie in het EVR de toets van artikel 5.2.1 PIFI doorstaat, en of een vordering voor onderzoekskosten stand houdt. Over die kostenclaim gaat onderzoekskosten of een SODA-vordering na vermeende verzekeringsfraude. Is er aangifte gedaan en volgt een sepot of vrijspraak, dan is de vraag wat dat betekent voor de registratie; zie EVR-registratie na vrijspraak of sepot. Wilt u de registratie zelf aanpakken, dan leest u de voorwaarden in EVR-registratie verwijderen of verkorten, of laat u het dossier beoordelen door onze advocaat voor EVR- en CIS-registraties.

Bewijs verzamelen voor uw eigen verweer

Naast het betwisten van het bewijs van de verzekeraar is het van belang om zelf actief bewijs te verzamelen dat uw standpunt ondersteunt. Dit kan bestaan uit getuigenverklaringen van personen die de schadegebeurtenis hebben waargenomen, fotos of videobeelden die de schade documenteren, facturen en bonnen die de waarde van beschadigde goederen aantonen en medische rapportages bij letselschade. Hoe beter u uw eigen bewijspositie opbouwt, hoe sterker uw verweer tegen de fraudebeschuldiging van de verzekeraar. Het is verstandig om al in een vroeg stadium te beginnen met het verzamelen en veiligstellen van bewijs. Bewijs kan na verloop van tijd verloren gaan: getuigen vergeten details, digitale gegevens worden overschreven en fysiek bewijs kan verdwijnen. Door direct na de schadegebeurtenis zorgvuldig bewijs te documenteren en te bewaren, versterkt u uw positie aanzienlijk voor het geval de verzekeraar later een fraudeonderzoek instelt.

Gesubsidieerde rechtsbijstand

Een geschil over de bewijslast bij verzekeringsfraude vereist specialistische juridische kennis. Als uw inkomen beperkt is, kunt u mogelijk in aanmerking komen voor gesubsidieerde rechtsbijstand. De Raad voor Rechtsbijstand verleent toevoegingen aan mensen met een laag inkomen, waardoor de overheid het grootste deel van de advocaatkosten betaalt. U betaalt dan slechts een beperkte eigen bijdrage. Zo is deskundige juridische hulp ook bereikbaar als u geen groot budget heeft.

Een vergissing, overdrijving of opzet

Een verkeerde datum kan voortkomen uit een herinneringsfout. Een fout bedrag kan een berekeningsfout zijn. Zulke fouten moeten worden gecorrigeerd, maar zij bewijzen niet zonder meer het vereiste opzet om de verzekeraar te misleiden. De aard van de vraag, het belang van de informatie en de verklaring voor de fout tellen mee.

Bewust een vervalste factuur indienen of een niet bestaande schade opvoeren ligt anders. Ook dan moeten de gestelde feiten zorgvuldig worden vastgesteld en moeten de gevolgen op de juiste juridische grondslag berusten. Vermijd daarom algemene ontkenningen; werk per verwijt met de originele stukken en een controleerbare toelichting.

Eigen verzekering tegenover een claim op de tegenpartij

Artikel 7:941 lid 5 BW gaat over het verval van uitkering bij opzettelijke misleiding binnen de daar bedoelde verzekeringsverhouding. Het kan niet zonder meer overeenkomstig worden toegepast op de benadeelde die een WAM-verzekeraar aanspreekt. Zie Hoge Raad 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1103.

Daarom moet een afwijzingsbrief duidelijk maken in welke hoedanigheid u claimt en welke regel wordt toegepast. Dat onderscheid voorkomt dat een discussie over één onjuiste post zonder juiste grondslag wordt vertaald naar het vervallen van de volledige letselschadeclaim.

Wat bewijst een onderzoeksrapport?

Een rapport is geen rechterlijke beslissing. De waarde hangt af van de opdracht, beschikbare informatie, onderzoeksmethode en redenering. Vraag welke waarnemingen vaststaan en welke conclusies berusten op aannames. Controleer of tegenbewijs is besproken en of de onderzoeker buiten zijn deskundigheid treedt.

Een technisch expert kan bijvoorbeeld voertuigschade onderzoeken. Daarmee is hij nog niet zonder meer deskundig op het gebied van medische causaliteit of psychologische intentie. Ook een algoritmisch risicosignaal of een afwijkend declaratiepatroon is niet zelfstandig een volledige onderbouwing van fraude.

Gerelateerde onderwerpen

Laat uw zaak beoordelen door een specialist

De bewijslast bij verzekeringsfraude is een complex juridisch onderwerp dat grote invloed heeft op

de uitkomst van uw geschil met de verzekeraar. Een gespecialiseerde advocaat kan beoordelen of de verzekeraar voldoende bewijs heeft voor zijn fraudebeschuldiging, of het bewijs op rechtmatige wijze is verkregen en welke verweergronden in uw situatie het meest kansrijk zijn. Bent u beschuldigd van verzekeringsfraude en wilt u weten hoe sterk de bewijspositie van uw verzekeraar is? Neem contact met ons op voor een vrijblijvende beoordeling. Onze advocaten analyseren het beschikbare bewijs, beoordelen uw verweergronden en adviseren u over de beste strategie om uw recht op uitkering veilig te stellen.

Lees ook

Hulp nodig van een advocaat?

Onze advocaten zijn gespecialiseerd in verzekeringsrecht.

Hulp nodig? Onze advocaat verzekeringsrecht beoordeelt kosteloos het besluit en de onderbouwing van uw verzekeraar en zegt u of verweer kans maakt. Alles daarna is betaald werk; wat een vervolgstap kost, hoort u vooraf. Neem vrijblijvend contact op.


Gerelateerde juridische diensten

Deel dit bericht
Facebook
Twitter
LinkedIn
Snel hulp nodig?