URL: https://arslan.nl/diensten/bestuursrecht/
Geschreven door Melanie Schulpen, advocaat bestuursrecht bij Arslan & Arslan Advocaten. Ingeschreven in het rechtsgebiedenregister van de Nederlandse orde van advocaten voor strafrecht (en jeugdstrafrecht) en bestuursrecht. Laatst bijgewerkt: 31 augustus 2026.
Let op de termijn. Bezwaar maken kan in beginsel binnen zes weken na de dag waarop het besluit is bekendgemaakt (artikel 6:7 en 6:8 Awb). Die termijn is hard. Wie hem laat verlopen, is in de regel zijn rechtsingang kwijt — hoe sterk zijn argumenten inhoudelijk ook zijn. Bel bij twijfel eerst: [070 450 0300](tel:+31704500300).
Hoeveel tijd heb ik om bezwaar te maken tegen een besluit?
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken, en die termijn begint te lopen op de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat staat in artikel 6:7 en artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Er is geen algemene coulanceregeling en geen standaardverlenging: is de termijn voorbij, dan wordt uw bezwaar in de regel niet-ontvankelijk verklaard en komt het bestuursorgaan aan uw argumenten niet eens toe.
Drie dingen bepalen of u op tijd bent.
Wanneer de termijn begint. Niet op de datum die op het besluit staat, maar op de dag ná de bekendmaking. Bekendmaking van een besluit dat aan u persoonlijk is gericht geschiedt door toezending of uitreiking (artikel 3:41, eerste lid, Awb). In de praktijk is dat de verzenddatum van de brief of het moment waarop het besluit in uw digitale berichtenbox is geplaatst — niet het moment waarop u hem heeft gelezen.
Wanneer de termijn eindigt. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend als het vóór het einde van de termijn is ontvangen (artikel 6:9, eerste lid, Awb). Verstuurt u per post, dan geldt een soepeler regel: het bezwaarschrift is tijdig ingediend als het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan één week na afloop van de termijn is ontvangen (artikel 6:9, tweede lid, Awb). Die weekregel is een vangnet voor postvertraging, geen extra week bedenktijd.
Wat als de laatste dag in het weekend valt. Een in een wet gestelde termijn die eindigt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die dat niet is. Dat volgt uit artikel 1 van de Algemene termijnenwet. Algemeen erkende feestdagen zijn daar in artikel 3 opgesomd: Nieuwjaarsdag, tweede paasdag, tweede pinksterdag, beide kerstdagen, Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd, en 5 mei.
Bron: Algemene wet bestuursrecht en Algemene termijnenwet, wetten.overheid.nl.
Waartegen kunt u bezwaar maken? Wat is een 'besluit'?
Bezwaar en beroep staan alleen open tegen een besluit: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling — en alleen een belanghebbende kan daartegen opkomen. De definitie staat in artikel 1:3, eerste lid, Awb; belanghebbende is volgens artikel 1:2, eerste lid, Awb degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
| Wel in beginsel een besluit | In beginsel géén besluit |
|---|---|
| toekenning, weigering, herziening of intrekking van een uitkering | een informatieve brief of een telefonische mededeling |
| een omgevingsvergunning en de weigering daarvan | een aankondiging van een voornemen |
| een last onder dwangsom of bestuursdwang | feitelijk handelen zonder rechtsgevolg |
| een bestuurlijke boete | een klachtafhandeling op grond van hoofdstuk 9 Awb |
| de weigering van een verklaring omtrent het gedrag | interne werkinstructies |
| een terugvordering of een boete bij een uitkering | een civiele factuur van een overheidsinstantie |
| een beslissing op een Woo-verzoek | een privaatrechtelijke rechtshandeling |
De afwijzing van een aanvraag is uitdrukkelijk óók een besluit (een beschikking, artikel 1:3, tweede lid, Awb). Krijgt u dus "nee" te horen, dan is dat het aangrijpingspunt voor bezwaar — niet een reden om af te wachten.
Waar het in de praktijk misgaat. Mensen reageren wél op de brief, maar niet op de juiste manier of niet bij het juiste orgaan. Twee reddingslijnen daarvoor staan in de wet. Wordt het bezwaar- of beroepschrift ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde rechter, dan wordt het zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, en is het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend voor de vraag of tijdig is ingediend (artikel 6:15 Awb). Dezelfde regel geldt als u per abuis een beroepschrift indiende waar een bezwaarschrift hoorde, of omgekeerd. Een brief met de verkeerde kop is dus in de regel te repareren; een brief die te laat komt niet.
Het besluit zelf moet u bovendien de weg wijzen: als er bezwaar of beroep openstaat, wordt daarvan bij de bekendmaking melding gemaakt, met vermelding van door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan (artikel 3:45 Awb). Ontbreekt die rechtsmiddelenclausule, dan is dat een omstandigheid die bij een te laat bezwaar in uw voordeel kan meewegen.
Ik ben te laat met bezwaar — kan ik nog iets doen?
Een te laat ingediend bezwaarschrift blijft toch ontvankelijk als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest; dat heet een verschoonbare termijnoverschrijding en de lat ligt hoog. De grondslag is artikel 6:11 Awb. Het is een uitzondering, geen tweede kans.
De rechtspraak vat de norm strikt op. In de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant met kenmerk ECLI:NL:RBZWB:2015:2384 is dat scherp verwoord: artikel 6:11 Awb "ziet slechts op gevallen waarin de belanghebbende redelijkerwijs niet in staat was tegen een besluit tijdig een rechtsmiddel aan te wenden". In die zaak was betrokkene wél in staat geweest binnen de termijn bezwaar te maken, maar zag hij daartoe geen reden — dat is niet verschoonbaar.
Ook een later gewijzigd inzicht helpt niet. Gerechtshof Amsterdam oordeelde in zijn uitspraak met kenmerk ECLI:NL:GHAMS:2012:BV7085 dat de omstandigheid dat iemand pas op grond van ná de bezwaartermijn gewezen jurisprudentie tot een gewijzigd inzicht kwam, geen verschoonbare termijnoverschrijding oplevert.
Wat in de praktijk wél kans maakt:
| Omstandigheid | Waarom die kan meewegen |
|---|---|
| Het besluit is nooit op het juiste adres verzonden | zonder deugdelijke bekendmaking begint de termijn in beginsel niet te lopen |
| Er ontbrak een rechtsmiddelenclausule (artikel 3:45 Awb) | u kon niet weten dat en waarbinnen u kon opkomen |
| Ernstige ziekte of ziekenhuisopname in de termijn | feitelijke onmogelijkheid, mits onderbouwd |
| U diende tijdig in bij een onbevoegd orgaan | dan geldt artikel 6:15 Awb en is er geen overschrijding |
| Onjuiste voorlichting door het bestuursorgaan zelf | opgewekt vertrouwen kan de overschrijding verschoonbaar maken |
| Digitale bekendmaking terwijl u daar niet voor koos | de wijze van bekendmaking staat dan ter discussie |
Wat in de regel niet helpt: vakantie, drukte, "ik dacht dat er nog overleg liep", "ik wachtte op mijn boekhouder", of het feit dat u de brief pas laat uit de berichtenbox haalde.
Wat u moet doen als u toch te laat bent: dien alsnog direct in, en leg in hetzelfde stuk uit waarom de overschrijding verschoonbaar is, met bewijsstukken. Wachten maakt het alleen slechter, want daarnaast geldt dat een onredelijk laat ingediend stuk zelfstandig niet-ontvankelijk kan zijn.
Hoe maak ik bezwaar? Wat moet er in een bezwaarschrift staan?
Het maken van bezwaar gebeurt door een bezwaarschrift in te dienen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen, en dat bezwaarschrift moet ondertekend zijn en ten minste uw naam en adres, de dagtekening, een omschrijving van het besluit en de gronden van het bezwaar bevatten. Dat volgt uit artikel 6:4, eerste lid, en artikel 6:5, eerste lid, Awb.
De vier verplichte elementen op een rij:
| Vereiste (artikel 6:5 lid 1 Awb) | Wat dat concreet betekent |
|---|---|
| a. naam en adres van de indiener | ook een correspondentieadres van uw gemachtigde |
| b. de dagtekening | de datum waarop u het stuk schrijft |
| c. omschrijving van het besluit | kenmerk, datum en onderwerp van de beslissing |
| d. de gronden van het bezwaar | waaróm het besluit onjuist is |
| ondertekening | handtekening, of een geldige elektronische ondertekening |
Ontbreekt er iets, dan volgt niet meteen niet-ontvankelijkheid. Artikel 6:6 Awb bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk kán worden verklaard als niet aan artikel 6:5 is voldaan, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn. U krijgt dus in beginsel een herstelbrief. Reageert u daar niet op, dan is de zaak alsnog voorbij — en dát is waar veel bezwaren stranden.
Voor de behandeling van het bezwaar is geen recht verschuldigd — bezwaar maken is dus kosteloos in die zin dat het bestuursorgaan u geen griffierecht mag rekenen (artikel 7:15, eerste lid, Awb).
Wat is een pro-formabezwaar en wanneer gebruikt u het?
Een pro-formabezwaar is een kort bezwaarschrift dat u binnen de zes weken indient om de termijn veilig te stellen, waarna u de gronden op een later moment aanvult. Het is de standaardoplossing voor de situatie waarin de klok loopt maar het dossier nog niet compleet is.
Het werkt zo. U dient binnen de termijn een stuk in dat voldoet aan de onderdelen a, b en c van artikel 6:5, eerste lid, Awb — naam en adres, dagtekening en een omschrijving van het besluit — en u vermeldt dat de gronden nog volgen. Het ontbreken van de gronden is een verzuim in de zin van artikel 6:6 Awb, en het bestuursorgaan moet u dus in de gelegenheid stellen dat te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn.
Die hersteltermijn is bindend. Vult u de gronden niet binnen de gestelde termijn aan, dan kan het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard. Vraag zo nodig tijdig en gemotiveerd om verlenging, en doe dat schriftelijk.
En de beslistermijn schuift mee. De termijn waarbinnen het bestuursorgaan moet beslissen, wordt opgeschort vanaf de dag na die waarop u is verzocht het verzuim te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de gestelde termijn ongebruikt is verstreken (artikel 7:10, tweede lid, Awb). Een pro-formabezwaar koopt u dus tijd voor uw onderbouwing, maar verlengt evenzeer de wachttijd tot de beslissing.
Bezwaar maken tegen een beslissing van het UWV: hoe werkt dat?
Tegen een beslissing van het UWV — over een WIA-, WW- of Ziektewetuitkering — maakt u op dezelfde manier bezwaar als tegen elk ander besluit: binnen zes weken na de dag van bekendmaking, bij het UWV zelf. De beslistermijn van het UWV is echter langer dan de gewone Awb-termijn. Waar artikel 7:10, eerste lid, Awb uitgaat van zes of twaalf weken, wijken de socialezekerheidswetten daar uitdrukkelijk van af.
| Situatie | Beslistermijn UWV | Grondslag |
|---|---|---|
| Bezwaar in een WIA-zaak, algemeen | 13 weken | artikel 111 WIA |
| WIA-besluit met een verzekeringsgeneeskundige of arbeidskundige beoordeling | 17 weken | artikel 112, eerste lid, WIA |
| Idem, met advies van een externe deskundige | 21 weken | artikel 112, eerste lid, WIA |
| Bezwaar in een WW-zaak | 13 weken | artikel 129 WW |
| Bezwaar in een Ziektewetzaak, algemeen | 13 weken | artikel 74 ZW |
| Ziektewetbesluit met verzekeringsgeneeskundige of arbeidskundige beoordeling | 17 weken, met externe deskundige 21 weken | artikel 73a ZW |
Alle termijnen worden gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Dat is een veelgemaakte rekenfout: de klok begint niet te lopen op de dag dat u uw bezwaar indient, maar pas na afloop van de volledige zes weken.
Bron: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, Werkloosheidswet en Ziektewet, wetten.overheid.nl.
Wat een WIA- of Ziektewetbezwaar bijzonder maakt, is de medische herbeoordeling. Ligt aan het besluit een verzekeringsgeneeskundige of arbeidskundige beoordeling ten grondslag, dan wordt uw zaak in bezwaar opnieuw bekeken door een verzekeringsarts en zo nodig een arbeidsdeskundige die niet bij het primaire besluit betrokken waren. Daar zit uw kans: niet in de stelling dat u het er niet mee eens bent, maar in het aanleveren van medische informatie die er nog niet lag.
Wat een medisch bezwaar in de praktijk draagt:
- informatie van uw behandelend specialist over diagnose, beloop en belastbaarheid;
- een reactie op de functionele mogelijkhedenlijst: welke aangenomen mogelijkheid klopt feitelijk niet, en waarom;
- een reactie op de geduide functies: waarom kunt u die concreet niet vervullen;
- een beschrijving van een gemiddelde dag, inclusief energieverdeling en herstelbehoefte;
- consistentie tussen wat u bij de huisarts, de bedrijfsarts en de verzekeringsarts vertelt.
Loopt het UWV uit? Dan kunt u het UWV in gebreke stellen en zo nodig beroep instellen wegens niet tijdig beslissen — zie de sectie over de dwangsom verderop op deze pagina. Beslist het UWV op uw bezwaar en blijft u het oneens, dan staat beroep open bij de rechtbank, en daarna hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep: die is op grond van hoofdstuk 4 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (bijlage 2 bij de Awb) de hogerberoepsrechter voor onder meer de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Toeslagenwet en de Participatiewet.
Mijn ex-werkgever maakt bezwaar tegen de UWV-beslissing — mag dat?
Ja: ook de (ex-)werkgever kan belanghebbende zijn bij een beslissing van het UWV over een werknemer, en kan daartegen dus bezwaar maken. Belanghebbende is immers degene wiens belang rechtstreeks bij het besluit is betrokken (artikel 1:2, eerste lid, Awb), en een werkgever heeft bij een arbeidsongeschiktheidsbeslissing een eigen financieel belang: de beslissing werkt door in zijn premielast of, bij eigenrisicodragerschap, rechtstreeks in wat hij moet betalen.
Medische gegevens. De werkgever krijgt in dit soort procedures geen vrije toegang tot uw medisch dossier; inzage in medische stukken loopt in beginsel via een gemachtigde die arts is of via een daartoe aangewezen functionaris. Laat u hier niet overrompelen: het is legitiem om te vragen op welke grondslag welke stukken worden gedeeld.
De loonsanctie. Andersom komt het net zo vaak voor: het UWV legt de wérkgever een verlenging van de loondoorbetalingsplicht op omdat hij onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Artikel 25, negende lid, WIA bepaalt dat het UWV in dat geval het tijdvak van loondoorbetaling verlengt, met ten hoogste 52 weken. Meent de werkgever dat hij zijn tekortkoming heeft hersteld, dan meldt hij dat aan het UWV en toont hij dat aan (artikel 25, twaalfde lid, WIA); het UWV beslist binnen drie weken na ontvangst van die melding of de tekortkoming is hersteld (artikel 25, dertiende lid, WIA). Het verlengde tijdvak eindigt vervolgens zes weken na die vaststelling, maar niet later dan na 52 weken (artikel 25, veertiende lid, WIA).
Tegen een loonsanctie staat gewoon bezwaar open. De discussie gaat vrijwel altijd over de vraag of de verrichte inspanningen redelijk waren gelet op wat op dat moment bekend was — niet over de vraag of de re-integratie uiteindelijk is geslaagd.
Wat gebeurt er op de hoorzitting in bezwaar?
Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord — dat is de hoofdregel van artikel 7:2, eerste lid, Awb, en het is uw belangrijkste moment om uw verhaal in eigen woorden te doen. De hoorzitting is geen formaliteit: het is de enige fase waarin een mens tegenover u zit die de beslissing nog kan wijzigen.
Van horen mag alleen worden afgezien in de gevallen van artikel 7:3 Awb: als het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, als het kennelijk ongegrond is, als u heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, als u niet binnen een gestelde redelijke termijn verklaart dat u gehoord wilt worden, of als volledig aan uw bezwaar tegemoet wordt gekomen zonder dat andere belanghebbenden daardoor in hun belangen worden geschaad. Wordt van horen afgezien, dan moet in de beslissing worden aangegeven op welke grond dat is gebeurd (artikel 7:12, eerste lid, Awb).
Wie hoort er? Dat verschilt. Sommige bestuursorganen horen zelf; andere hebben een onafhankelijke adviescommissie ingesteld die bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden, waarvan de voorzitter geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan (artikel 7:13, eerste lid, Awb). Is zo'n commissie ingesteld, dan geschiedt het horen door de commissie en wordt ook een vertegenwoordiger van het bestuursorgaan uitgenodigd om een toelichting te geven (artikel 7:13, derde en vijfde lid, Awb). Voor u is dat gunstig: er zit dan iemand aan tafel die niet zelf het besluit heeft genomen.
Hoe u zich voorbereidt:
- Vraag het volledige dossier op en lees het vóór de zitting — u wilt geen stuk voor het eerst ter zitting zien.
- Bepaal vooraf uw twee of drie sterkste punten; een hoorzitting waarin alles even belangrijk is, levert niets op.
- Breng nieuwe stukken tijdig in, niet op de dag zelf.
- Neem zo nodig een getuige of een deskundige mee.
- Wees concreet: "ik kan niet vier uur achtereen zitten" landt beter dan "ik ben het er niet mee eens".
- Vraag aan het eind of er nog iets ontbreekt dat de commissie nodig heeft.
Ik heb een beslissing op bezwaar gekregen — wat nu?
Als het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een volledige heroverweging van het bestreden besluit plaats, en die beslissing op bezwaar moet berusten op een deugdelijke motivering. Dat volgt uit artikel 7:11, eerste lid, en artikel 7:12, eerste lid, Awb. Heroverweging betekent dat niet alleen naar de rechtmatigheid wordt gekeken, maar ook opnieuw naar de gemaakte belangenafweging, en naar de feiten zoals die op dát moment zijn.
Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het besluit en neemt het zo nodig een nieuw besluit in de plaats daarvan (artikel 7:11, tweede lid, Awb).
De gewone beslistermijn buiten het socialezekerheidsdomein staat in artikel 7:10 Awb: zes weken, of twaalf weken als een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 Awb is ingesteld, gerekend vanaf de dag na die waarop de bezwaartermijn is verstreken. Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen (derde lid). Verder uitstel is alleen mogelijk als alle belanghebbenden daarmee instemmen, als u instemt en andere belanghebbenden niet worden geschaad, of als het nodig is voor de naleving van wettelijke procedurevoorschriften (vierde lid). Van elke opschorting, verdaging of uitstel moet u schriftelijk mededeling krijgen (vijfde lid).
Is de beslissing op bezwaar negatief, dan kunt u daartegen beroep instellen bij de bestuursrechter, met toepassing van de voorschriften die golden voor beroep tegen het oorspronkelijke besluit (artikel 7:1, tweede lid, Awb). Ook daarvoor geldt de termijn van zes weken.
Kostenvergoeding in bezwaar. De kosten die u in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden uitsluitend vergoed op uw verzoek, en alleen voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid (artikel 7:15, tweede lid, Awb). Dat verzoek moet u doen voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist (artikel 7:15, derde lid, Awb). Vergeet u dat, dan is de vergoeding weg, ook als u volledig gelijk krijgt. Neem het verzoek dus standaard op in uw bezwaarschrift.
Beroep bij de rechtbank: hoe werkt dat en wat kost het?
Tegen de beslissing op bezwaar kunt u binnen zes weken beroep instellen bij de rechtbank, sector bestuursrecht, tenzij de wet een andere bestuursrechter aanwijst. Artikel 8:1 Awb geeft de belanghebbende het recht beroep in te stellen; artikel 8:6, eerste lid, Awb bepaalt dat dat beroep bij de rechtbank wordt ingesteld, tenzij een andere bestuursrechter bevoegd is op grond van hoofdstuk 2 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak.
Bezwaar is in beginsel verplicht vóórdat u kunt procederen: wie beroep wil instellen, dient eerst bezwaar te maken (artikel 7:1, eerste lid, Awb). Op die regel bestaan uitzonderingen, waaronder besluiten die zijn voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 Awb (de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure met zienswijzen) en beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Daarnaast kunt u in uw bezwaarschrift vragen om rechtstreeks beroep: het bestuursorgaan kan daarmee instemmen als de zaak zich daarvoor leent (artikel 7:1a Awb). Dat is zinvol als het geschil zuiver juridisch is en een heroverweging voorspelbaar niets zal opleveren.
Griffierecht. Anders dan bezwaar is beroep niet kosteloos. Artikel 8:41, tweede lid, Awb noemt drie tarieven: € 54 voor een natuurlijke persoon in de zaken die vallen onder de Regeling verlaagd griffierecht (waaronder een groot deel van de socialezekerheidszaken), € 200 voor een natuurlijke persoon in andere zaken en € 397 als het beroep niet door een natuurlijke persoon is ingesteld. Deze bedragen worden periodiek geïndexeerd; controleer daarom altijd de brief van de griffier. Het griffierecht moet binnen vier weken na de mededeling van de griffier zijn bijgeschreven, anders is het beroep niet-ontvankelijk — tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat u in verzuim bent geweest, of aannemelijk is dat u op de uiterste datum in betalingsonmacht verkeerde (artikel 8:41, vijfde en zesde lid, Awb). Dat beroep op betalingsonmacht moet u wél tijdig en onderbouwd doen.
Wat de rechter kan doen. Verklaart de bestuursrechter het beroep gegrond, dan vernietigt hij het besluit geheel of gedeeltelijk (artikel 8:72, eerste lid, Awb). Hij kan bepalen dat de rechtsgevolgen in stand blijven, of dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit (derde lid) — dat laatste heet zelf in de zaak voorzien en is voor u het gunstigst, omdat u dan niet opnieuw op het bestuursorgaan hoeft te wachten. Is dat niet mogelijk, dan draagt hij het bestuursorgaan op een nieuw besluit te nemen, zo nodig binnen een door hem gestelde termijn (vierde lid).
Twee bepalingen kunnen tegen u werken. Artikel 6:22 Awb laat toe dat een besluit ondanks een geconstateerde schending in stand blijft als aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. En het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb bepaalt dat de rechter een besluit niet vernietigt wegens strijd met een regel of beginsel dat kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich erop beroept. Wie als omwonende procedeert tegen een vergunning, moet dus normen aanvoeren die zijn eigen belang beschermen.
Hoger beroep: welke rechter is bevoegd?
Hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank wordt ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, tenzij een andere hogerberoepsrechter bevoegd is op grond van hoofdstuk 4 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. Dat staat in artikel 8:105, eerste lid, Awb. Ook voor hoger beroep geldt de termijn van zes weken: afdeling 6.2 van de Awb, waaronder artikel 6:7, is van overeenkomstige toepassing (artikel 6:24 Awb).
| Rechtsgebied | Hogerberoepsrechter |
|---|---|
| Omgevingsrecht, handhaving, vergunningen, openbare orde, Woo | Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State |
| Sociale zekerheid: WW, WIA, Ziektewet, Participatiewet, Toeslagenwet, AOW, Anw | Centrale Raad van Beroep |
| Economisch bestuursrecht en veel markttoezicht | College van Beroep voor het bedrijfsleven |
| Belastingzaken | gerechtshof, daarna cassatie bij de Hoge Raad |
Wanneer vraagt u een voorlopige voorziening aan?
Een voorlopige voorziening vraagt u wanneer u het besluit niet kunt laten uitwerken in afwachting van de beslissing op bezwaar of beroep: de voorzieningenrechter treft die voorziening alleen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De grondslag is artikel 8:81, eerste lid, Awb. Bezwaar of beroep heeft namelijk in de regel géén schorsende werking: het besluit blijft gewoon gelden zolang er niet op is beslist.
U kunt een voorlopige voorziening vragen zodra u bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld — een lopende bodem- of bezwaarprocedure is voorwaarde (artikel 8:81, derde lid, Awb). Bij het verzoek legt u een afschrift van uw bezwaar- of beroepschrift over (artikel 8:81, vierde lid, Awb).
Hoe streng is "onverwijlde spoed"? Rechtbank Noord-Holland vatte het in haar uitspraak met kenmerk ECLI:NL:RBNHO:2023:1413 zo samen: er moet sprake zijn van zo'n spoedeisende situatie dat een beslissing in de hoofdzaak — in dat geval de beslissing op bezwaar — niet kan worden afgewacht.
Waarom dit bij handhaving en dwangsommen vaak noodzakelijk is. Bij een last onder dwangsom loopt er een begunstigingstermijn. Verstrijkt die termijn terwijl u nog in bezwaar zit, dan verbeuren de dwangsommen van rechtswege — het bestuursorgaan hoeft daar niets meer voor te doen. Rechtbank Limburg oordeelde in haar uitspraak met kenmerk ECLI:NL:RBLIM:2022:5413 dat het aflopen van de begunstigingstermijn voldoende spoedeisend belang oplevert bij een verzoek om voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom. In dezelfde lijn nam rechtbank Noord-Holland in haar uitspraak met kenmerk ECLI:NL:RBNHO:2026:8173 spoedeisend belang aan omdat de begunstigingstermijn was verstreken, het college stelde dat de dwangsommen van rechtswege waren verbeurd en een derde-partij om invordering had verzocht.
Let op het spiegelbeeld. Wacht u tot ná het verstrijken van de begunstigingstermijn, dan resteert vaak nog slechts een financieel belang, en het is vaste rechtspraak dat een louter financieel belang in beginsel onvoldoende is om spoedeisend belang aan te nemen — dat verweer werd bijvoorbeeld gevoerd in de zaak die leidde tot ECLI:NL:RBGEL:2026:5064. Ook rechtbank Midden-Nederland wees in haar uitspraak met kenmerk ECLI:NL:RBMNE:2026:3908 een verzoek af omdat er op dat moment geen spoedeisend belang meer was. De les is eenduidig: dien het verzoek in vóórdat de begunstigingstermijn afloopt, niet erna.
Ik heb een bestuurlijke boete gekregen — wat kan ik ertegen doen?
Tegen een bestuurlijke boete maakt u bezwaar binnen zes weken, en u heeft daarbij meer rechten dan bij een gewoon besluit: een bestuurlijke boete is een bestraffende sanctie, waarop waarborgen rusten die aan het strafrecht zijn ontleend. Artikel 5:2, eerste lid, onder c, Awb omschrijft de bestraffende sanctie als een bestuurlijke sanctie voor zover deze beoogt de overtreder leed toe te voegen.
De belangrijkste waarborgen:
| Waarborg | Grondslag |
|---|---|
| Geen boete voor zover de overtreding niet aan u kan worden verweten | artikel 5:41 Awb |
| Zwijgrecht: u bent niet verplicht verklaringen af te leggen, en dat moet u vóór het verhoor worden meegedeeld | artikel 5:10a Awb |
| Recht op inzage in en afschrift van de gegevens waarop de boete berust | artikel 5:49 Awb |
| Bij een boete van meer dan € 340 steeds een rapport of proces-verbaal én steeds gelegenheid tot zienswijze | artikel 5:53 Awb |
| Toezending van het rapport bij de uitnodiging voor de zienswijze, en zo nodig een tolk | artikel 5:50 Awb |
| Geen boete als voor dezelfde gedraging al strafvervolging loopt of een strafbeschikking is uitgevaardigd | artikel 5:44, eerste lid, Awb |
| Beslistermijn van dertien weken na dagtekening van het rapport | artikel 5:51, eerste lid, Awb |
De hoogte is aantastbaar. Is de hoogte van de boete niet bij wettelijk voorschrift vastgesteld, dan moet het bestuursorgaan de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid, zo nodig rekening houdend met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd (artikel 5:46, tweede lid, Awb). Is de hoogte wél wettelijk vastgesteld, dan legt het bestuursorgaan niettemin een lagere boete op als u aannemelijk maakt dat de vastgestelde boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is (artikel 5:46, derde lid, Awb).
Dat derde lid is in de praktijk het belangrijkste aanknopingspunt. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven overwoog in zijn uitspraak met kenmerk ECLI:NL:CBB:2020:319 dat voor bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen artikel 5:46, derde lid, Awb het kader vormt waarin de op artikel 6 EVRM gestoelde evenredigheidstoets wordt voltrokken, en dat binnen dat kader beoordeeld kan en behoort te worden of de voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid. In zijn uitspraak met kenmerk ECLI:NL:CBB:2018:68 betrok het College daarbij uitdrukkelijk de draagkracht: overgelegde jaarstukken en de omstandigheid dat er geleend moest worden om de boete te betalen, konden aanleiding vormen tot matiging.
Wat een boetebezwaar sterk maakt: de feitelijke toedracht betwisten waar die niet klopt; aantonen dat u redelijkerwijs alles heeft gedaan wat van u verwacht mocht worden (verminderde of ontbrekende verwijtbaarheid); en, subsidiair, met stukken onderbouwen dat de boete gelet op uw omstandigheden en draagkracht onevenredig hoog is. Die drie sporen sluiten elkaar niet uit — voer ze naast elkaar.
Handhaving: last onder dwangsom en bestuursdwang
Bij handhaving heeft u te maken met een herstelsanctie: een last onder bestuursdwang verplicht tot herstel en geeft het bestuursorgaan de bevoegdheid dat zelf uit te voeren, terwijl een last onder dwangsom u verplicht tot betaling van een geldsom als u de last niet of niet tijdig uitvoert. De definities staan in artikel 5:21 Awb (bestuursdwang) en artikel 5:31d Awb (dwangsom). Een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, kan in plaats daarvan een last onder dwangsom opleggen (artikel 5:32, eerste lid, Awb).
De beginselplicht tot handhaving. In de rechtspraak geldt als uitgangspunt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is handhavend op te treden, daarvan in de regel ook gebruik moet maken. Rechtbank Limburg verwoordde de ratio in haar uitspraak met kenmerk ECLI:NL:RBLIM:2026:6373: de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie, en handhaving bereikt dat. Van die plicht mag alleen onder bijzondere omstandigheden worden afgeweken — bijvoorbeeld als er concreet zicht op legalisatie bestaat, of als handhavend optreden onevenredig is (zie onder meer ECLI:NL:RBZWB:2024:7373 van rechtbank Zeeland-West-Brabant en ECLI:NL:RBGEL:2025:4101 van rechtbank Gelderland).
De begunstigingstermijn. Bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken of voorkomen van een overtreding, wordt een termijn gesteld waarbinnen u de last kunt uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd (artikel 5:32a, tweede lid, Awb). De rechtspraak stelt daaraan eisen aan beide kanten: rechtbank Gelderland overwoog in haar uitspraak met kenmerk ECLI:NL:RBGEL:2022:6746 dat de begunstigingstermijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding op te heffen, maar ook niet wezenlijk korter. Rechtbank Den Haag voegde daaraan in haar uitspraak met kenmerk ECLI:NL:RBDHA:2023:19131 toe dat het bestuursorgaan bij het bepalen van de lengte enige vrijheid toekomt, en — belangrijk — dat de begunstigingstermijn er níet toe strekt u in de gelegenheid te stellen de uitkomst van een ingesteld beroep af te wachten. Wie denkt dat de klok stilstaat zolang hij procedeert, vergist zich.
De hoogte van de dwangsom. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast op een bedrag ineens, per tijdseenheid of per overtreding, en stelt tevens een maximum vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. De bedragen moeten in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom (artikel 5:32b Awb). Een dwangsom die daaraan niet voldoet, is aantastbaar — ook als de last zelf terecht is.
Invordering. Voordat het bestuursorgaan tot betaling aanmaant, moet het bij beschikking beslissen over de invordering, en het moet zo'n beschikking ook geven als een belanghebbende daarom verzoekt; op dat verzoek wordt binnen vier weken beslist (artikel 5:37 Awb). Tegen die invorderingsbeschikking staan afzonderlijk rechtsmiddelen open. Bij bestuursdwang geldt bovendien dat bezwaar of beroep tegen de last mede betrekking heeft op de beschikking tot toepassing van bestuursdwang en op de kostenbeschikking, voor zover u die betwist (artikel 5:31c Awb) — u hoeft daarvoor dus niet steeds opnieuw een aparte procedure te starten.
Omgevingsvergunning: kan ik als omwonende bezwaar maken?
Ja, als u belanghebbende bent — maar welke route u moet volgen hangt af van de procedure waarmee de vergunning is voorbereid, en die keuze bepaalt of u bezwaar maakt of meteen beroep instelt. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet loopt de vergunningverlening via die wet.
De reguliere procedure. Het bevoegd gezag beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken, of binnen twaalf weken als voor de voorgenomen beslissing instemming van een ander bestuursorgaan nodig is (artikel 16.64, eerste lid, Omgevingswet). Die termijn kan eenmaal met ten hoogste zes weken worden verlengd, en dat verlengingsbesluit moet binnen de beslistermijn worden bekendgemaakt (tweede lid). Belangrijk voor omwonenden: in deze procedure ontstaat géén vergunning van rechtswege — paragraaf 4.1.3.3 Awb, de lex silencio positivo, is niet van toepassing (artikel 16.64, vierde lid, Omgevingswet). Tegen de verleende vergunning maakt u bezwaar, binnen zes weken na bekendmaking.
De uitgebreide procedure. In bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of op verzoek dan wel met instemming van de aanvrager, is afdeling 3.4 Awb van toepassing op de voorbereiding (artikel 16.65 Omgevingswet). Dan ligt een ontwerpbesluit ter inzage en brengt u zienswijzen naar voren. In die route is bezwaar juist níet aan de orde: artikel 7:1, eerste lid, onder d, Awb sluit de bezwaarfase uit bij besluiten die met afdeling 3.4 zijn voorbereid, zodat u rechtstreeks beroep instelt bij de rechtbank.
Twee valkuilen voor omwonenden.
Wie zwijgt in de zienswijzefase, raakt zijn beroep kwijt. Artikel 6:13 Awb bepaalt dat geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.
Het relativiteitsvereiste beperkt uw argumenten. Op grond van artikel 8:69a Awb vernietigt de rechter een besluit niet wegens strijd met een norm die kennelijk niet strekt tot bescherming van úw belang. Een beroep op een norm die uitsluitend een ander belang beschermt, helpt u dus niet, hoe terecht het punt ook is.
Het bestuursorgaan beslist niet op tijd — wat kan ik doen?
Beslist een bestuursorgaan niet tijdig op uw aanvraag, dan kunt u het schriftelijk in gebreke stellen, waarna het een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, voor ten hoogste 42 dagen. Dat staat in artikel 4:17, eerste lid, Awb. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag (artikel 4:17, tweede lid, Awb).
De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de beslistermijn is verstreken én het bestuursorgaan uw schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen (artikel 4:17, derde lid, Awb). Zonder ingebrekestelling loopt er dus niets. Het bestuursorgaan stelt de verschuldigdheid en de hoogte vervolgens zelf bij beschikking vast, binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was (artikel 4:18 Awb).
Geen dwangsom is verschuldigd als het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld, als de aanvrager geen belanghebbende is, of als de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is (artikel 4:17, vijfde lid, Awb).
Wanneer is een besluit te laat? Een beschikking moet worden gegeven binnen de wettelijke termijn of, bij het ontbreken daarvan, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag; die redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken geen beschikking heeft gegeven noch een mededeling over uitstel heeft gedaan (artikel 4:13 Awb). Let op de opschortingsgronden van artikel 4:15 Awb: de termijn staat stil zolang u bent uitgenodigd de aanvraag aan te vullen, zolang u schriftelijk met uitstel heeft ingestemd, zolang de vertraging aan u kan worden toegerekend, of bij overmacht.
Beroep bij de rechter. Naast de dwangsom kunt u beroep instellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Dat beroep is niet aan een termijn gebonden en kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is én twee weken zijn verstreken na uw schriftelijke ingebrekestelling (artikel 6:12, eerste en tweede lid, Awb). Wacht daarmee niet eindeloos: het beroep is niet-ontvankelijk als het onredelijk laat is ingediend (vierde lid). Beroep tegen het niet tijdig beslissen schort de dwangsom overigens niet op (artikel 4:17, vierde lid, Awb) — de twee sporen lopen naast elkaar.
Uitzondering: de Woo. Bij informatieverzoeken werkt dit anders; zie de volgende sectie.
Woo-verzoek: welke termijnen gelden daar?
Op een verzoek om publieke informatie beslist het bestuursorgaan zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen, met een verdagingsmogelijkheid van ten hoogste twee weken. Dat staat in artikel 4.4, eerste en tweede lid, van de Wet open overheid. De verdaging moet vóór afloop van de eerste termijn schriftelijk en gemotiveerd worden meegedeeld.
Belangrijk verschil met de rest van het bestuursrecht: bij de Woo bestaat géén dwangsom bij niet tijdig beslissen. Artikel 8.2 Woo verklaart paragraaf 4.1.3.2 van de Awb — de dwangsomregeling — uitdrukkelijk niet van toepassing op besluiten op grond van die wet en op beslissingen op bezwaar daartegen. Wat u wél heeft, is de route van artikel 6:12 Awb: ingebrekestelling en daarna beroep wegens niet tijdig beslissen.
Wordt besloten informatie te verstrekken terwijl een belanghebbende daar naar verwachting bezwaar tegen heeft, dan wordt de informatie pas twee weken na bekendmaking verstrekt; vraagt die belanghebbende in de tussentijd een voorlopige voorziening, dan wordt de openbaarmaking opgeschort tot de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan (artikel 4.4, vijfde lid, Woo). Voor derden is dat de enige effectieve manier om openbaarmaking tegen te houden.
Bron: Wet open overheid, wetten.overheid.nl.
Bezwaar tegen de afwijzing van een VOG: heeft dat zin?
De weigering van een verklaring omtrent het gedrag is een besluit, en daartegen staat gewoon bezwaar open binnen zes weken — en omdat de weigering een risicoafweging is, valt daar in bezwaar vaak nog iets aan te doen. Een VOG is volgens artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens een verklaring dat uit een onderzoek naar het gedrag van betrokkene, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren.
De weigeringsgrond staat in artikel 35, eerste lid, Wjsg: afgifte wordt geweigerd als in de justitiële documentatie een strafbaar feit is vermeld dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd in de weg zal staan. Twee dingen springen daaruit naar voren. Ten eerste is de toets functiegericht: het gaat niet om uw verleden in het algemeen, maar om de relatie tussen dat verleden en de functie waarvoor u de VOG nodig heeft. Ten tweede tellen justitiële gegevens over feiten die zijn afgedaan met een onherroepelijke vrijspraak niet mee (artikel 35, derde lid, Wjsg).
Op de aanvraag wordt in beginsel binnen vier weken beslist; is de minister voornemens afwijzend te beslissen, dan wordt binnen acht weken beslist (artikel 37, eerste en tweede lid, Wjsg). Die langere termijn is uw signaal: bij een voorgenomen afwijzing krijgt u eerst gelegenheid uw zienswijze te geven, op grond van artikel 4:8 Awb. Dat is het moment om te reageren — nog vóór er een besluit ligt.
Wat een VOG-bezwaar draagt:
- de concrete functie-eisen en de feitelijke werkzaamheden, om aan te tonen dat er geen relevant risico is;
- het tijdsverloop sinds het feit en het uitblijven van recidive;
- de afdoening: was het een sepot, een geldboete, een taakstraf, een voorwaardelijke straf;
- uw persoonlijke omstandigheden: werk, opleiding, gezin, en wat het gevolg is als de VOG uitblijft;
- een verklaring van de werkgever of opleidingsinstelling over het belang en de context.
Er geldt daarnaast een terugkijktermijn die per functie en per situatie verschilt en die is uitgewerkt in het gepubliceerde beoordelingsbeleid; laat in uw zaak nagaan welke termijn is toegepast en of dat juist is. Blijft de weigering in bezwaar in stand, dan staat beroep open bij de rechtbank en daarna hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Bron: Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, wetten.overheid.nl.
Op welke gronden kan ik een besluit aanvechten?
Een besluit is aantastbaar als het onzorgvuldig is voorbereid, onvoldoende is gemotiveerd, berust op onjuiste feiten, of nadelige gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die ermee worden gediend. De belangrijkste normen staan in hoofdstuk 3 van de Awb en zijn direct bruikbaar in elk bezwaarschrift.
| Norm | Wat die eist | Grondslag |
|---|---|---|
| Zorgvuldige voorbereiding | het bestuursorgaan vergaart de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen | artikel 3:2 Awb |
| Belangenafweging | de rechtstreeks betrokken belangen worden afgewogen | artikel 3:4, eerste lid, Awb |
| Evenredigheid | de nadelige gevolgen mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de te dienen doelen | artikel 3:4, tweede lid, Awb |
| Motivering | het besluit berust op een deugdelijke motivering | artikel 3:46 Awb |
| Hoor en wederhoor vooraf | bij een belastende beschikking op basis van gegevens van derden krijgt u gelegenheid tot zienswijze | artikel 4:8 Awb |
| Rechtsmiddelenverwijzing | het besluit vermeldt door wie, binnen welke termijn en waar kan worden opgekomen | artikel 3:45 Awb |
De evenredigheidstoets is de laatste jaren merkbaar strenger geworden. In haar uitspraak met kenmerk ECLI:NL:RVS:2022:1440 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak overwogen dat de bestuursrechter bij toetsing aan artikel 3:4, tweede lid, Awb niet langer het willekeurscriterium voorop moet stellen, maar moet aansluiten bij de bewoordingen van die bepaling: het bestuur moet er steeds voor zorgen dat sprake is van een evenredige verhouding tussen doel en middel. In de rechtspraak worden daarbij de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van de gemaakte keuze betrokken. Voor de praktijk betekent dat: een bezwaar dat laat zien dat hetzelfde doel met een minder ingrijpend middel bereikt had kunnen worden, is inhoudelijk sterker geworden dan het een aantal jaren geleden was.
Wat kost een bestuursrechtadvocaat, en krijg ik mijn kosten vergoed?
De kosten van rechtsbijstand in bezwaar worden alleen vergoed als het besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid én u daar tijdig om verzoekt; in beroep kan de bestuursrechter een proceskostenveroordeling uitspreken. Voor bezwaar is dat artikel 7:15, tweede en derde lid, Awb; voor beroep artikel 8:75 Awb.
Drie punten waar het in de praktijk op vastloopt.
Het verzoek moet op tijd. Uw verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar moet worden gedaan vóórdat het bestuursorgaan op het bezwaar beslist (artikel 7:15, derde lid, Awb). Neem het dus standaard op in het bezwaarschrift zelf. Achteraf vragen kan niet meer.
Het is een forfaitair systeem. Zowel bij artikel 7:15 als bij artikel 8:75 Awb geldt dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels zijn gesteld over welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen en hoe het bedrag wordt vastgesteld. Dat gebeurt met een puntenstelsel per proceshandeling en een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak. De uitkomst is een tegemoetkoming, in de regel geen volledige vergoeding van wat rechtsbijstand feitelijk kost. Wij noemen hier bewust geen bedragen: de tarieven worden periodiek aangepast en een verouderd getal doet u meer kwaad dan geen getal.
Gefinancierde rechtsbijstand. Voldoet u aan de inkomens- en vermogensgrenzen, dan kan de Raad voor Rechtsbijstand een toevoeging verlenen; u betaalt dan een eigen bijdrage waarvan de hoogte afhangt van uw inkomen en van de aard van de zaak. Is een toevoeging verleend en wordt een kostenvergoeding toegekend, dan betaalt het bestuursorgaan die vergoeding aan de rechtsbijstandverlener, die u zoveel mogelijk schadeloos stelt voor de betaalde eigen bijdrage (artikel 7:15, vijfde lid, en artikel 8:75, tweede lid, Awb). Wij beoordelen kosteloos of u voor een toevoeging in aanmerking komt.
Veelgemaakte fouten in bestuursrechtelijke procedures
De meeste zaken gaan niet verloren op de inhoud, maar op de vorm — en vrijwel altijd in de eerste zes weken. Dit zijn de fouten die wij het vaakst zien.
- Wachten met bezwaar tot er "duidelijkheid" is. De termijn loopt door tijdens overleg, telefoontjes en toezeggingen. Dien in, en overleg daarna verder.
- Bellen in plaats van schrijven. Een telefonische klacht is geen bezwaar. Alleen een ondertekend bezwaarschrift telt (artikel 6:4 en 6:5 Awb).
- De hersteltermijn na een pro-formabezwaar laten verlopen. Dat is de meest voorkomende oorzaak van niet-ontvankelijkheid na een tijdig bezwaar.
- Geen kostenvergoeding vragen vóór de beslissing op bezwaar. Daarmee vervalt de aanspraak van artikel 7:15 Awb definitief.
- Het griffierecht te laat betalen. Vier weken na de mededeling van de griffier, anders is het beroep niet-ontvankelijk (artikel 8:41 Awb).
- Geen voorlopige voorziening vragen bij een lopende begunstigingstermijn. Na afloop zijn de dwangsommen van rechtswege verbeurd en resteert vaak alleen nog een financieel belang.
- Geen zienswijze indienen op een voornemen. Bij een boete of een VOG-weigering is dat het goedkoopste en meest effectieve moment.
- Zwijgen in de zienswijzefase bij een uitgebreide procedure. Artikel 6:13 Awb kan u dan de gang naar de rechter kosten.
- Argumenten aanvoeren die uw eigen belang niet beschermen. Het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb maakt die kansloos.
- De hoorzitting overslaan. Het is de enige fase waarin een besluit nog zonder rechter kan sneuvelen.
Verwante onderwerpen
Bestuursrechtelijke procedures raken vaak aan andere rechtsgebieden. Waar dat bij u speelt, leest u verder op deze pagina's:
- Wordt uw arbeidsongeschiktheid of ontslag ook civielrechtelijk afgewikkeld: vaststellingsovereenkomst en transitievergoeding.
- Werkt u via een uitzendbureau en speelt er discussie over uw rechtspositie: uitzendkrachten.
- Loopt er naast de uitkeringsdiscussie een aansprakelijkheidskwestie na een ongeval of medische fout: smartengeld en medische fouten.
- Speelt er een geschil met een verhuurder of een woningcorporatie: huurrecht.
- Staat een registratie uw financiering of uw werk in de weg: BKR-registratie verwijderen en EVR-registratie verwijderen.
Over dit advies
Arslan & Arslan Advocaten behandelt bestuursrechtelijke zaken vanuit kantoren in Den Haag, Rotterdam, Amsterdam, Utrecht, Tilburg en Eindhoven. Wij voeren procedures tegen het UWV en andere uitvoeringsinstanties, tegen gemeenten en omgevingsdiensten bij handhaving en vergunningen, tegen bestuurlijke boetes en tegen de weigering van een verklaring omtrent het gedrag. Naast Nederlands spreken wij Turks en Pools.
Heeft u een besluit ontvangen? Wacht niet af — de termijn van zes weken loopt. Bel [070 450 0300](tel:+31704500300) of stuur ons uw vraag via het contactformulier. Wij laten u weten of bezwaar zin heeft en wat de volgende stap is.
Deze pagina geeft algemene informatie en is geen juridisch advies over uw eigen zaak. Aan de genoemde uitgangspunten kunnen geen rechten worden ontleend. Wettelijke bedragen en termijnen worden periodiek gewijzigd; laat uw situatie beoordelen aan de hand van de op dat moment geldende regels.