Verkeersongeval: wie is aansprakelijk en welke schade kunt u verhalen?

Kies een vestiging

Snel hulp nodig?

Letsel opgelopen? Dit is belangrijk om te weten.

Een vordering wegens letsel verjaart in beginsel vijf jaar nadat u bekend bent met de schade en de aansprakelijke persoon.

  • Was u minderjarig? Dan gaat die termijn pas lopen op uw achttiende verjaardag.
  • Bewaar alles: medische stukken, foto’s, het schadeformulier en uw eigen aantekeningen.
  • Wij beoordelen kosteloos of u een zaak heeft en zeggen het eerlijk als dat niet zo is.

Bel 070 450 0300Stuur uw stukken op

Het eerste gesprek is kosteloos en vertrouwelijk. Zes vestigingen in Nederland. Wij spreken ook Turks, Pools en Engels.

URL: https://arslan.nl/diensten/verkeersongeval/

Geschreven door Onur Arslan, advocaat letselschade bij Arslan & Arslan Advocaten. Ingeschreven in het rechtsgebiedenregister van de Nederlandse orde van advocaten voor arbeidsrecht en letselschade. Laatst bijgewerkt: 31 augustus 2026.

Wie is aansprakelijk bij een aanrijding?

In beginsel is aansprakelijk wie een verkeersfout heeft gemaakt, maar bij een aanrijding tussen een motorrijtuig en een fietser of voetganger draait die hoofdregel om: dan is de eigenaar of houder van het motorrijtuig verplicht de schade te vergoeden, tenzij hij overmacht aannemelijk maakt. Welke van die twee routes uw zaak volgt, bepaalt vrijwel alles: wie moet bewijzen, hoe groot de kans op een volledige vergoeding is, en hoe lang het traject duurt.

De gewone route loopt via de onrechtmatige daad: wie zich niet aan de verkeersregels houdt, handelt onrechtmatig en moet de daaruit voortvloeiende schade vergoeden. Wie stelt dat de ander een fout maakte, moet dat in beginsel ook bewijzen. Dat is het uitgangspunt bij elke aanrijding tussen twee auto's of tussen twee fietsers.

De bijzondere route staat in de Wegenverkeerswet. Artikel 185 lid 1 WVW 1994 bepaalt dat als een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden betrokken is bij een verkeersongeval waardoor schade wordt toegebracht aan niet door dat motorrijtuig vervoerde personen of zaken, de eigenaar — of, als die er is, de houder — verplicht is die schade te vergoeden, "tenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan overmacht". Die bepaling beschermt precies de groep die in het verkeer het meest te verliezen heeft.

Bron: wetten.overheid.nl, Wegenverkeerswet 1994, artikel 185.

Wat vaak wordt vergeten, is lid 2: de eigenaar of houder die het motorrijtuig niet zelf bestuurt, is aansprakelijk voor de gedragingen van degene die hij ermee laat rijden. U hoeft dus niet uit te zoeken wie er achter het stuur zat; het kenteken volstaat om de aansprakelijke partij te vinden.

Het praktische probleem is bijna nooit het recht, maar het bewijs. De schuldvraag wordt vastgesteld aan de hand van wat is vastgelegd: het proces-verbaal, getuigenverklaringen, het ondertekende schadeformulier, foto's en camerabeelden. Discussies lopen zelden vast op de vraag welke regel geldt, maar omdat niemand meer kan vaststellen wat er precies is gebeurd.

Aanrijding van achteren: wie is schuldig?

Bij een kop-staartbotsing is de achterligger vaak, maar niet automatisch aansprakelijk: het enkele feit dat hij achterop reed levert volgens vaste rechtspraak geen omkering van de bewijslast op. Dat is een van de hardnekkigste misverstanden in het verkeersrecht — mensen gaan ervan uit dat "van achteren aangereden" gelijkstaat aan "de ander is schuldig", en ontdekken pas maanden later dat zij degene zijn die moet bewijzen.

De hoofdregel is die van de gewone bewijslastverdeling. De rechtbank Oost-Brabant verwoordde dat in een zaak over een botsing na een noodstop voor overstekende eenden zo: op de eiser rust de bewijslast van zijn stelling dat de achterligger op een onzorgvuldige wijze aan het verkeer heeft deelgenomen, en "de enkele omstandigheid dat [A] achterop de auto van [eiser] is gebotst, rechtvaardigt geen uitzondering op deze hoofdregel van bewijslastverdeling. Dit is vaste rechtspraak bij kop-staartbotsingen" (ECLI:NL:RBOBR:2025:3871).

Dat betekent niet dat u kansloos bent — integendeel. Uit de omstandigheden volgt in de praktijk vaak wél dat de achterligger onvoldoende afstand hield. De rechtbank Midden-Nederland formuleerde de keerzijde: hoewel de achteroprijdende bestuurder voldoende afstand en daarmee overzicht moet houden, "kunnen er zich immers ook situaties voordoen waarbij de achteroprijdende bestuurder niet aansprakelijk is voor de kop-staartbotsing. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de bestuurder van de vooroprijdende auto plotseling zonder reden/noodzaak remt, waardoor een botsing ontstaat" (ECLI:NL:RBMNE:2024:506).

Het verweer van de verzekeraar komt in dit type zaak vrijwel altijd neer op één van drie stellingen: u remde plotseling en zonder noodzaak, u voegde kort voor de botsing in, of de toedracht staat simpelweg niet vast. Wat u daartegen kunt zetten: het schadebeeld (de mate van indeuking zegt iets over de snelheid), de plaats van de botsing, getuigen, dashcambeelden, en vooral de vraag of er een aanleiding was om te remmen — een file, een overstekend dier, een verkeerslicht. Meld daarom in het schadeformulier en tegenover de politie waarom u remde. Die ene zin is later vaak beslissend.

Aanrijding met een fietser: wie is aansprakelijk?

Wordt een fietser aangereden door een auto, motor, scooter of vrachtwagen, dan is de eigenaar of houder van dat motorrijtuig in beginsel aansprakelijk voor de schade van de fietser — ook als de fietser zelf een verkeersfout maakte — tenzij hij overmacht aannemelijk maakt. De fietser hoeft dus niet te bewijzen dat de automobilist iets fout deed; de automobilist moet aantonen dat hem niets te verwijten valt.

Rechters leggen die bescherming uit vanuit haar doel: "ongemotoriseerde verkeersdeelnemers worden namelijk als zwakkere verkeersdeelnemers gezien ten opzichte van gemotoriseerde" (ECLI:NL:RBOVE:2026:3861).

De overmachtsdrempel ligt buitengewoon hoog. Volgens vaste rechtspraak slaagt een beroep op overmacht alleen als aan de bestuurder van het motorrijtuig "rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt van de manier waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen, omdat het ongeval uitsluitend is te wijten aan fouten van een ander en die fouten voor de bestuurder van het motorvoertuig zo onwaarschijnlijk zijn dat hij bij het bepalen van zijn verkeersgedrag daarmee naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden" (ECLI:NL:RBMNE:2025:6373). Twee dingen moeten dus samenvallen: geen enkel verwijt aan de bestuurder, én een fout van de ander die redelijkerwijs niet te verwachten was.

Dat "geen enkel verwijt" wordt streng ingevuld. Rijden binnen de maximumsnelheid is niet genoeg; ook binnen de limiet kan de snelheid ter plaatse onverantwoord zijn geweest, bijvoorbeeld bij een school of slecht zicht. De gedachte erachter: "hierachter steekt de wens om de kwetsbare fietser en voetganger te beschermen tegen het gevaarlijke karakter dat aan het motorrijtuig eigen is" (ECLI:NL:PHR:2007:AZ7863).

Ter illustratie. Een fietser voegt op een drukke doorgaande weg uit om een geparkeerde bestelbus te passeren en kijkt daarbij niet goed achterom. Een naderende auto raakt hem; de fietser breekt zijn pols. De automobilist stelt dat de fietser de fout maakte en dat hij daarom niets hoeft te vergoeden. Zo werkt het niet: bij een aanrijding tussen een motorrijtuig en een fietser is de eigenaar of houder van dat motorrijtuig in beginsel aansprakelijk, ook als de fietser zelf een verkeersfout maakte, tenzij hij overmacht aannemelijk maakt. Dat de fietser onvoorzichtig was, beëindigt die bescherming dus niet — het komt pas aan de orde bij de verdeling van de schade. Dit is een voorbeeldsituatie ter illustratie van de regel, geen zaak van ons kantoor.

Overmacht slaagt daardoor zelden — maar niet nooit. Behandel een aanrijding met een motorrijtuig dus als een sterke zaak, niet als een gewonnen zaak.

Aanrijding voetganger door een auto: wie draait op voor de schade?

Voor voetgangers geldt exact dezelfde bescherming als voor fietsers: zij zijn "niet door dat motorrijtuig vervoerde personen" in de zin van artikel 185 WVW, en de eigenaar of houder van het motorrijtuig is dus aansprakelijk behoudens overmacht. Ook wanneer de voetganger zelf een verkeersfout maakte — bijvoorbeeld buiten het zebrapad oversteken of geen voorrang verlenen — blijft die hoofdregel overeind.

De rechtbank Rotterdam stelde dat expliciet vast: niet in geschil was dat de overstekende voetganger aan de scooterbestuurder voorrang had moeten verlenen en dus een verkeersfout had gemaakt, én dat "sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 185 WVW" (ECLI:NL:RBROT:2026:7868). De verkeersfout beëindigt de bescherming niet; hij komt pas aan de orde bij de verdeling van de schade.

Een detail dat verrassend vaak speelt: ook wie zojuist zijn auto heeft verlaten, is voetganger. Over iemand die haar auto op een busbaan tot stilstand had gebracht en was uitgestapt, oordeelde de rechtbank Midden-Nederland: "Vanaf dat moment viel zij onder het toepassingsbereik van artikel 185 WVW" (ECLI:NL:RBMNE:2021:542). Staat u langs de weg bij pech of een eerdere aanrijding, dan geniet u dus die bescherming.

Waar de bescherming níét geldt. Artikel 185 lid 3 WVW sluit uitdrukkelijk uit: schade aan loslopende dieren, aan een ander motorrijtuig in beweging, en aan personen en zaken die met dat andere motorrijtuig worden vervoerd. Twee rijdende auto's onderling vallen er dus buiten — daar geldt de gewone onrechtmatige daad. Als schuldloze inzittende heeft u overigens ook langs die weg in de regel een sterke positie.

De 50%-regel en de 100%-regel: wat betekenen ze precies?

Deze twee vuistregels staan niet in de wet: zij zijn door de Hoge Raad ontwikkeld op grondslag van de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 BW, en zij bepalen een minimum aan schadevergoeding voor fietsers en voetgangers wanneer die zelf ook een fout hebben gemaakt. Wie ze in de wettekst zoekt, vindt ze niet — artikel 185 WVW regelt alleen de aansprakelijkheid en de overmacht, niet de verdeling.

De Hoge Raad heeft de regels op 4 mei 2001 samengevat (ECLI:NL:HR:2001:AB1426). Letterlijk: "Ten aanzien van kinderen jonger dan 14 jaar geldt (…) de zogenoemde 100%-regel. Deze regel houdt in dat de eigenaar van een motorrijtuig volledig aansprakelijk is ook al is het ongeval in overwegende mate door het kind veroorzaakt, tenzij sprake was van opzet of daaraan grenzende roekeloosheid van het kind. De 50%-regel geldt voor voetgangers en fietsers vanaf de leeftijd van 14 jaar."

Die 50%-regel is voor het eerst aanvaard in het arrest IZA/Vrerink van 28 februari 1992 (ECLI:NL:HR:1992:ZC0526). De inhoud, zoals rechters die vandaag formuleren: als overmacht niet aannemelijk is gemaakt maar er wél een fout van de fietser of voetganger is, zonder opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid, "eist de billijkheid dat bij de verdeling van de schade over de betrokkenen, ten minste 50% van de schade ten laste van het motorrijtuig wordt gebracht" (ECLI:NL:RBGEL:2024:7699).

Cruciaal: 50% is een bodem, geen uitkomst. De Hoge Raad schreef dat in 2025 opnieuw uit: daarna "moet worden nagegaan of naar de maatstaven van art. 6:101 lid 1 BW meer dan 50% van de schade ten laste van de eigenaar of houder van het motorrijtuig moet worden gebracht, hetzij omdat zijn gedragingen (…) voor meer dan 50% tot de schade hebben bijgedragen, hetzij omdat de billijkheid dat, in het licht van alle omstandigheden van het geval, eist" (ECLI:NL:HR:2025:1133).

Dat is het punt waarop verzekeraars in de praktijk het meeste terrein winnen. Een aanbod van 50% wordt gepresenteerd als "wat de wet nu eenmaal voorschrijft". Dat is het niet: het is het laagste bedrag dat juridisch nog kan.

Situatie Wat in beginsel geldt
Overmacht aannemelijk geen aansprakelijkheid op grond van artikel 185 WVW
Geen overmacht, geen fout van de fietser of voetganger volledige vergoeding
Geen overmacht, wél een fout, slachtoffer 14 jaar of ouder ten minste 50%, en meer waar causaliteit of billijkheid dat eisen
Geen overmacht, wél een fout, slachtoffer jonger dan 14 volledige vergoeding, behoudens opzet of daaraan grenzende roekeloosheid
Opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid van het slachtoffer de bodem van 50% respectievelijk 100% vervalt

Waar de regels niet gelden. Zij werken niet in omgekeerde richting. Vordert de automobilist zijn eigen schade van de fietser of voetganger, dan is er voor "overeenkomstige toepassing van de door de Hoge Raad ontwikkelde 100% en 50% regel — zowel in het geval van letsel- als zaakschade — geen plaats" (ECLI:NL:RBOBR:2018:425). De bescherming is bewust eenzijdig.

Kinderen onder de veertien: de bijzondere positie

Wordt een kind jonger dan veertien jaar aangereden door een motorrijtuig, dan moet de eigenaar of houder in beginsel de volledige schade vergoeden, ook als het ongeval in overwegende mate door het kind is veroorzaakt — tenzij het gedrag van het kind opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid oplevert. Dat is de 100%-regel, en het is de verstrekkendste bescherming die het Nederlandse verkeersaansprakelijkheidsrecht kent.

De bescherming werkt op twee niveaus tegelijk, en dat wordt vaak door elkaar gehaald. Bij de overmachtsvraag kan een beroep op overmacht de eigenaar van het motorrijtuig niet baten "tenzij gedragingen van het kind opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid ter zake van de aanrijding opleveren" (ECLI:NL:RBBRE:2004:AP3631, verwijzend naar HR 1 juni 1990 en HR 31 mei 1991). En bij de verdeling van de schade leidt eigen schuld van het kind in beginsel evenmin tot vermindering: de vergoedingsplicht blijft volledig in stand.

De gedachte erachter is dat kinderen het verkeer nog niet kunnen overzien: zij schatten snelheid en afstand slecht in, hun blikveld is smaller, en zij handelen impulsief. Een automobilist moet daar rekening mee houden. In de conclusie bij een recent arrest is uitdrukkelijk vastgesteld dat de vroegere benadering — waarin het volstond dat de bestuurder van zijn wijze van rijden geen verwijt viel te maken — inmiddels is verlaten (ECLI:NL:PHR:2025:396).

De drempel "opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid" is bij een kind van zeven of tien jaar in de praktijk vrijwel niet te halen. Dat een kind plotseling de weg op rende achter een bal aan, is precies het gedrag waartegen de regel beschermt.

Ter illustratie. Een jongen van tien fietst op weg naar school tussen twee geparkeerde auto's de rijbaan op zonder te kijken, en wordt geraakt door een auto die met toegestane snelheid nadert. De bestuurder vindt dat het kind de fout maakte. Voor de 100%-regel is dat niet beslissend: bij een kind jonger dan veertien moet de eigenaar of houder van het motorrijtuig in beginsel de volledige schade vergoeden, ook als het ongeval in overwegende mate door het kind is veroorzaakt, tenzij het gedrag van het kind opzet of daaraan grenzende roekeloosheid oplevert. Onbezonnen de weg op rijden is precies het gedrag waartegen de regel beschermt; die drempel wordt bij een kind van die leeftijd zelden gehaald. Dit is een voorbeeldsituatie ter illustratie van de regel, geen zaak van ons kantoor.

Wat ouders in deze zaken moeten weten:

  • De leeftijd op de dag van het ongeval telt, niet die bij afwikkeling.
  • Wikkel kinderletsel niet snel af: de gevolgen van hersenletsel of blijvend letsel worden pas jaren later zichtbaar, wanneer school of werk een beroep doen op functies die zich niet normaal hebben ontwikkeld. Studievertraging is daarbij een zelfstandige, vaak aanzienlijke schadepost.
  • De verjaring loopt anders. Op grond van artikel 3:310 lid 5 BW gaat de termijn van vijf jaar bij een minderjarig slachtoffer pas lopen op de dag na het bereiken van de meerderjarigheid. Een oud ongeval is dus lang niet altijd verjaard.

Aanrijding met een elektrische fiets of een fatbike: geldt dezelfde bescherming?

Een fiets met trapondersteuning — waaronder een e-bike en een fatbike die aan de wettelijke eisen voldoet — is volgens de wet géén motorrijtuig, zodat de berijder dezelfde bescherming van artikel 185 WVW geniet als een gewone fietser. De grondslag is de begripsbepaling zelf: artikel 1 lid 1 onder c WVW 1994 omschrijft motorrijtuigen als alle voertuigen die anders dan langs spoorstaven worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht, "met uitzondering van fietsen met trapondersteuning". Die uitzondering is expliciet en staat in de wettekst.

Bron: wetten.overheid.nl, Wegenverkeerswet 1994, artikel 1.

Waar het spannend wordt, is bij voertuigen die de grens naderen. Een fiets met trapondersteuning moet een elektrische hulpmotor hebben van maximaal 0,25 kW nominaal continu vermogen, waarvan de aandrijfkracht geleidelijk afneemt en wordt onderbroken bij 25 km/u of eerder wanneer de berijder ophoudt met trappen. Voldoet het voertuig daar niet aan, dan is het een bromfiets — en dus wél een motorrijtuig, met verzekeringsplicht en verlies van de bescherming van artikel 185 WVW. In een deskundigenonderzoek naar een concrete fatbike concludeerde de deskundige dat die als fiets met trapondersteuning moest worden aangemerkt, onder meer omdat de wet niet eist dat de pedalen volledig roteren (ECLI:NL:RBGEL:2026:2692).

Praktisch betekent dit:

Voertuig Positie in het verkeersaansprakelijkheidsrecht
Gewone fiets ongemotoriseerd; volledige bescherming van artikel 185 WVW
E-bike of fatbike binnen de wettelijke grenzen fiets met trapondersteuning; dezelfde bescherming
Speed pedelec, opgevoerde e-bike of fatbike buiten de grenzen bromfiets, dus motorrijtuig; geen bescherming van artikel 185 WVW
Scooter, snorfiets, bromfiets motorrijtuig; geen bescherming, wél aansprakelijk jegens fietsers en voetgangers

Wordt u als e-biker aangereden en stelt de verzekeraar dat uw fiets was opgevoerd, laat die stelling dan onderbouwen: dat vergt technisch onderzoek, niet een aanname op basis van het uiterlijk.

Eigen schuld: kan mijn vergoeding worden verlaagd?

Ja: heeft u zelf bijgedragen aan het ongeval of aan de schade, dan wordt de vergoedingsplicht in beginsel verdeeld naar de mate waarin ieders gedrag tot de schade heeft bijgedragen — maar die verdeling kan daarna nog worden gecorrigeerd als de billijkheid dat eist. Die tweede stap wordt in onderhandelingen structureel overgeslagen, terwijl daar bij ernstig letsel de grootste winst zit.

Artikel 6:101 lid 1 BW werkt in twee fasen. Eerst de causale verdeling: de vergoedingsplicht wordt verminderd "in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen". Daarna de billijkheidscorrectie: er vindt "een andere verdeling plaats of de vergoedingsplicht vervalt geheel of blijft in stand, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist".

Bron: wetten.overheid.nl, Burgerlijk Wetboek Boek 6, artikel 101.

De omstandigheden die bij die correctie meewegen zijn ruim: de ernst van het letsel en de blijvende gevolgen, de leeftijd van het slachtoffer, de uiteenlopende ernst van de over en weer gemaakte fouten, en het feit dat de gemotoriseerde partij verzekerd is terwijl het slachtoffer de gevolgen persoonlijk draagt (vgl. ECLI:NL:PHR:2001:AB1426).

Hoe dat in een dossier uitpakt, laat een zaak bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch zien: na toepassing van de 50%-regel betoogde het slachtoffer dat hoogstens 25% als eigen schuld kon meetellen, maar dat dit door de billijkheidscorrectie — gezien het blijvende letsel — tot 0% moest worden teruggebracht (ECLI:NL:GHSHE:2013:5320). Dat is de argumentatielijn: eerst de bodem, dan de causaliteit, dan de correctie.

Er worden bovendien twee vormen van eigen schuld apart beoordeeld: de bijdrage aan het ontstaan van het ongeval (geen voorrang verlenen, door rood rijden, onverlicht fietsen) en de bijdrage aan de omvang van de schade (geen gordel, geen helm op een scooter, medisch advies niet opvolgen). Die tweede raakt niet de aansprakelijkheid maar alleen de schadeomvang, en de kortingen zijn er in de regel beperkter.

Ter illustratie. Een voetganger steekt in het donker buiten het zebrapad over en wordt aangereden door een auto; hij houdt er blijvend letsel aan over. De verzekeraar biedt 50% aan en noemt dat "wat de regel voorschrijft". Er ontbreken dan twee stappen. Eerst moet worden bekeken hoe de omstandigheden aan weerszijden causaal aan de schade hebben bijgedragen — reed de auto onverantwoord snel voor die plek, was het zicht slecht? En daarna komt de billijkheidscorrectie, waarbij onder meer de ernst van het letsel, de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten en het feit dat de gemotoriseerde partij verzekerd is meewegen. De 50% is de bodem, niet de uitkomst. Dit is een voorbeeldsituatie ter illustratie van de regel, geen zaak van ons kantoor.

Krijgt u een percentage eigen schuld tegengeworpen, vraag dan om de onderbouwing van beide stappen afzonderlijk. Een verzekeraar die één percentage noemt zonder causale verdeling en billijkheidscorrectie te scheiden, heeft de tweede stap in de regel niet gemaakt.

Doorrijden na een aanrijding: wat kunt u doen?

Doorrijden na een aanrijding is strafbaar, en voor uw schadevergoeding bent u niet afhankelijk van de vraag of de dader wordt gevonden: bij een onbekend gebleven tegenpartij kunt u zich in beginsel wenden tot het Waarborgfonds Motorverkeer. Dat laatste is het stuk dat mensen zelden weten, en het is precies het stuk dat hun zaak redt.

Artikel 7 lid 1 WVW 1994 verbiedt degene die bij een verkeersongeval is betrokken de plaats van het ongeval te verlaten als hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat daarbij een ander is gedood of letsel is toegebracht (a), dat schade aan een ander is toegebracht (b), of dat een gewonde in hulpeloze toestand wordt achtergelaten (c). Lid 2 kent één uitweg: het verbod geldt niet voor wie ter plaatse "behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit" en, als hij een motorrijtuig bestuurde, ook van de identiteit van dat motorrijtuig. Een briefje onder de ruitenwisser met uw naam en telefoonnummer voldoet daar in de regel aan; wegrijden zonder iets achter te laten niet.

De strafmaat staat in artikel 176 WVW 1994. Doorrijden terwijl een ander is gedood of letsel is toegebracht (a), of een gewonde in hulpeloze toestand achterlaten (c), wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vierde categorie. Doorrijden bij uitsluitend materiële schade (b) met ten hoogste drie maanden of een geldboete van de derde categorie.

Bron: wetten.overheid.nl, Wegenverkeerswet 1994, artikelen 7 en 176.

Wat u direct moet doen als iemand doorrijdt: noteer het kenteken of zoveel ervan als u heeft opgevangen — ook een gedeeltelijk kenteken is bruikbaar — plus merk, model, kleur, de richting van wegrijden en het tijdstip. Spreek getuigen aan vóórdat zij vertrekken. Fotografeer de schade en eventuele lakresten of onderdelen van het andere voertuig. Doe aangifte en vraag om een proces-verbaalnummer. Inventariseer ten slotte camera's in de omgeving en meld die vindplaatsen aan de politie — beelden worden vaak binnen dagen overschreven.

Is het kenteken bekend? Dan heeft u het grootste obstakel al genomen. De houder van het kenteken is op grond van artikel 185 lid 2 WVW aansprakelijk voor de gedragingen van degene die hij met het voertuig laat rijden, dus u hoeft niet vast te stellen wie er reed; de WA-verzekeraar van dat kenteken kunt u vervolgens rechtstreeks aanspreken. Aangifte doen is bovendien zinvol los van de strafzaak: het proces-verbaal is later het bewijsstuk waarmee u tegenover het Waarborgfonds of de verzekeraar aannemelijk maakt dát er een aanrijding met een motorrijtuig heeft plaatsgevonden.

Wanneer kan ik bij het Waarborgfonds Motorverkeer terecht?

Het Waarborgfonds Motorverkeer vangt de gevallen op waarin er wel aansprakelijkheid is, maar geen verhaalbare verzekeraar: een onbekend gebleven bestuurder, een onverzekerd voertuig, een gestolen auto of een vrijgesteld voertuig. Voor slachtoffers van doorrijders is dit vaak de enige route naar vergoeding.

Artikel 25 lid 1 WAM somt de gevallen limitatief op. Een benadeelde kan een recht op schadevergoeding tegen het fonds geldend maken wanneer er burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de door een motorrijtuig veroorzaakte schade bestaat, en:

Grond Wettelijke omschrijving (artikel 25 lid 1 WAM)
a wanneer niet kan worden vastgesteld wie de aansprakelijke persoon is, "tenzij aannemelijk is, dat de benadeelde niet tot die vaststelling heeft gedaan, wat redelijkerwijs van hem kon worden verwacht"
b wanneer de verplichting tot verzekering niet is nagekomen
c wanneer de schade voortvloeit uit handelen of nalaten van iemand die zich door diefstal of geweldpleging de macht over het motorrijtuig heeft verschaft
d wanneer op grond van een vrijstelling geen verzekering is afgesloten

Bron: wetten.overheid.nl, Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, artikel 25.

Let op de drempels die de wet zelf inbouwt. Ten eerste de inspanningsverplichting in onderdeel a: heeft u niet gedaan wat redelijkerwijs van u kon worden verwacht om de aansprakelijke te achterhalen, dan vervalt uw recht. Rechtbanken toetsen daar serieus aan (ECLI:NL:RBMNE:2015:6510). Aangifte doen, getuigen zoeken en camera's inventariseren is dus niet alleen verstandig — het is een voorwaarde. Ten tweede bepaalt artikel 26 lid 5 WAM dat het fonds slechts aansprakelijk is "indien de benadeelde aantoont dat hij alle bekende als zodanig aansprakelijke personen en (…) hun verzekeraars tot betaling heeft aangemaand". Het Waarborgfonds is een vangnet, geen eerste loket.

Wat u tegenover het fonds moet aantonen is bovendien meer dan mensen verwachten: dát er een ongeval met een motorrijtuig heeft plaatsgevonden, én dat de onbekend gebleven bestuurder daarvoor aansprakelijk is. In één zaak strandde de vordering omdat de benadeelde de enige was die verklaarde dat er een ander voertuig bij betrokken was geweest (ECLI:NL:GHDHA:2023:422).

Voor schade aan uw zaken geldt ten slotte een drempel: artikel 26 lid 4 WAM bepaalt dat het fonds die alleen vergoedt voor zover zij meer bedraagt dan een bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld bedrag. Voor letselschade geldt die drempel niet. Vraag het actuele drempelbedrag na voordat u een claim voor uitsluitend materiële schade indient.

Kan ik de verzekeraar rechtstreeks aanspreken?

Ja. Artikel 6 lid 1 WAM geeft de benadeelde een eigen recht op schadevergoeding jegens de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt — u hoeft dus niet eerst de bestuurder aan te spreken en af te wachten of die zijn verzekeraar inschakelt. Dat is de reden dat een letselschadedossier in de praktijk vrijwel altijd rechtstreeks met een verzekeraar wordt gevoerd. De Hoge Raad verwoordde de strekking zo: "Art. 6 WAM kent bij wijze van beschermingsmaatregel aan de benadeelde een bijzondere rechtspositie toe (…) [en] heeft tot strekking de benadeelde te begunstigen" (ECLI:NL:HR:2017:694).

Dat recht is nog eens versterkt door artikel 11 lid 1 WAM: "Geen uit de wettelijke bepalingen omtrent de verzekeringsovereenkomst of uit deze overeenkomst zelf voortvloeiende nietigheid, verweer of verval kan door een verzekeraar aan een benadeelde worden tegengeworpen." Dat de verzekerde zijn premie niet betaalde of de polisvoorwaarden schond, kan de verzekeraar u dus niet tegenwerpen.

De verjaringstermijn die vaak wordt gemist

Let op: tegenover de WAM-verzekeraar geldt een eigen, veel kortere verjaringstermijn dan tegenover de veroorzaker zelf. Artikel 10 lid 1 WAM bepaalt dat een uit deze wet voortvloeiende rechtsvordering van de benadeelde tegen de verzekeraar verjaart "door verloop van drie jaar te rekenen van het feit waaruit de schade is ontstaan". Er staat geen bekendheidsvereiste in: de termijn loopt vanaf het ongeval zelf. Dat is wezenlijk anders dan de vijfjaarstermijn van artikel 3:310 lid 5 BW tegenover de aansprakelijke persoon, die pas begint te lopen na bekendheid met de schade én de aansprakelijke.

Tegen wie Termijn Vanaf wanneer
De aansprakelijke persoon (letsel- of overlijdensschade) vijf jaar (artikel 3:310 lid 5 BW) de dag na bekendheid met zowel de schade als de aansprakelijke persoon; geen absolute termijn van twintig jaar
De WAM-verzekeraar drie jaar (artikel 10 lid 1 WAM) het feit waaruit de schade is ontstaan
Het Waarborgfonds artikel 10 is van overeenkomstige toepassing (artikel 26 lid 7 WAM) idem
Minderjarig slachtoffer, tegen de aansprakelijke persoon vijf jaar (artikel 3:310 lid 5 BW) de dag na het bereiken van de meerderjarigheid

Bron: wetten.overheid.nl, Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, artikelen 6, 10, 11 en 26.

Stuiten is eenvoudig, en de wet maakt het hier extra ruim. Artikel 10 lid 4 WAM bepaalt dat handelingen die de verjaring tegen de verzekerde stuiten, ook die tegen de verzekeraar stuiten, en omgekeerd. Lid 5 voegt toe dat de verjaring tegenover een verzekeraar wordt gestuit "door iedere onderhandeling tussen de verzekeraar en de benadeelde"; een nieuwe termijn van drie jaar begint pas te lopen zodra een van beide partijen bij deurwaardersexploot of aangetekende brief laat weten de onderhandelingen af te breken. Krijgt u zo'n brief, dan start daarmee een harde klok van drie jaar. Leg die brief niet weg.

Welke schade kunt u vorderen na een verkeersongeval?

U kunt in beginsel al uw financiële nadeel vorderen — van eigen risico en reiskosten tot het verlies van arbeidsvermogen over uw hele resterende loopbaan — én daarnaast smartengeld voor het leed zelf. Bij ernstig letsel is de materiële schade doorgaans veruit het grootst; wie alleen op het smartengeld onderhandelt, laat het meeste liggen.

Post Toelichting
Verlies van arbeidsvermogen gemist inkomen nu en in de toekomst, inclusief gemiste promoties en pensioenopbouw
Medische kosten eigen risico, behandelingen, medicatie, hulpmiddelen, fysiotherapie
Huishoudelijke hulp wat u zelf niet meer kunt, ook als familie het overneemt
Verzorging en verpleging ook mantelzorg door naasten is een schadepost
Aanpassingen woning, auto, werkplek
Reiskosten naar behandelaars, expertises en het ziekenhuis
Studievertraging bij scholieren en studenten
Zelfwerkzaamheid klussen, tuin en onderhoud die u niet meer zelf kunt doen
Voertuig- en zaakschade de auto, de fiets, de helm, kleding, telefoon, bril
Buitengerechtelijke kosten kosten van uw advocaat en medisch adviseur
Smartengeld de vergoeding voor pijn, verdriet en gederfde levensvreugde

Zorg dat de post "eigen vervoer" niet wegvalt. Daar hoort meer bij dan de reparatie: vervangend vervoer, waardevermindering en het verlies van de no-claim bij uw eigen verzekeraar zijn zelfstandige posten die vrijwel nooit uit zichzelf worden aangeboden.

Voor de hoogte van het smartengeld en de factoren die daarbij meewegen hebben wij een aparte pagina: *smartengeld bij letselschade*. Daar staat ook waarom bedragen die op internet circuleren zelden bruikbaar zijn. Kwam iemand om het leven of liep een naaste ernstig en blijvend letsel op, dan kunnen naasten en nabestaanden daarnaast aanspraak hebben op affectieschade en, bij eigen psychisch letsel, op shockschade; ook dat wordt daar uitgewerkt.

Whiplash na een aanrijding

Whiplashklachten na een kop-staartbotsing geven in beginsel recht op vergoeding, ook als scans geen afwijking laten zien — bepalend is of het klachtenpatroon reëel, consistent en consequent is en of een alternatieve verklaring ontbreekt. Dit is het letseltype waarbij verzekeraars het hardst terugduwen, en tegelijk het letseltype dat na een aanrijding van achteren het meest voorkomt.

Het uitgangspunt komt uit het arrest Zwolsche Algemeene/De Greef van 8 juni 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AB2054): aan het bewijs van dit soort klachten mogen geen al te hoge eisen worden gesteld, en een objectief medisch vastgestelde afwijking is niet steeds vereist, mits de klachten reëel zijn en niet ingebeeld, voorgewend of overdreven.

Wat een whiplashdossier draagt, is vroege en consistente vastlegging: dezelfde klachten bij huisarts, fysiotherapeut, bedrijfsarts en expertise, en aantoonbare uitval in het functioneren — ziekmelding, aangepast werk, gestaakte hobby's, hulp in huis.

*Lees verder: whiplash na een ongeval.*

Klachten na een aanrijding van achter: hoofdpijn en nekklachten

Nek-, hoofd- en concentratieklachten treden na een aanrijding vaak pas uren of dagen later op, en juist die vertraging wordt later tegen slachtoffers gebruikt — leg klachten daarom zo vroeg mogelijk vast bij de huisarts. Het dossier van uw huisarts is het enige document uit die periode dat een verzekeraar niet kan wegredeneren.

Het patroon is bijna altijd hetzelfde. Direct na het ongeval overheerst de adrenaline en zegt iemand tegen de politie dat het "wel meevalt". Twee dagen later beginnen de nekpijn en de hoofdpijn. Drie weken later meldt hij zich pas bij de huisarts. Twee jaar later stelt de verzekeraar dat de klachten niet aan het ongeval zijn toe te rekenen omdat ze pas weken later voor het eerst zijn vastgelegd.

Laat u dus onderzoeken, ook als u denkt dat het meevalt, en meld álle klachten — vermoeidheid, prikkelbaarheid, slaapproblemen, concentratieverlies en duizeligheid horen erbij. Bagatelliseer niet: "het gaat wel" belandt in het dossier en wordt jaren later geciteerd.

Ongeval tijdens werktijd of woon-werkverkeer

Krijgt u een verkeersongeval terwijl u voor uw werk onderweg bent, dan kan naast de veroorzaker ook uw werkgever aansprakelijk zijn — bij zuiver woon-werkverkeer is de werkgever in beginsel juist níét aansprakelijk. Dat onderscheid is scherp, en het bepaalt of u één of twee verhaalsroutes heeft.

De Hoge Raad heeft het uitgangspunt herhaaldelijk bevestigd: de werkgever is in beginsel niet aansprakelijk tegenover de werknemer voor schade die deze lijdt door een verkeersongeval tijdens woon-werkverkeer, "ook niet op de voet van art. 7:611 BW" (ECLI:NL:HR:2008:BG7775). Maar diezelfde uitspraak noemt de uitzondering: in gevallen waarin de werknemer zich per auto naar de plaats moet begeven waar hij zijn werkzaamheden moet uitvoeren, bestaat onder omstandigheden de mogelijkheid dat dat vervoer op één lijn moet worden gesteld met vervoer dat plaatsvindt krachtens de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst.

De grens ligt dus bij de vraag of het rijden zelf tot het werk behoort. Een bezorger, een monteur die van klant naar klant rijdt, een thuiszorgmedewerker: bij hen is het verkeer de werkplek. Iemand die 's ochtends van huis naar kantoor rijdt, is onderweg náár de werkplek, wat juridisch iets anders is.

Waarom dit ertoe doet: bij een eenzijdig ongeval of bij een tegenpartij die niet verhaalbaar is, kan de werkgeversroute het verschil maken tussen wel en geen vergoeding — ook wanneer u zelf een fout maakte.

*Lees verder: bedrijfsongeval en de zorgplicht van de werkgever.*

Eenzijdig verkeersongeval: is er dan iets te verhalen?

Bij een eenzijdig ongeval — zonder tegenpartij — is er geen aansprakelijke veroorzaker, maar dat betekent niet automatisch dat er niets te halen valt. Er zijn drie routes die in de praktijk regelmatig iets opleveren, en ze worden alle drie zelden uit zichzelf aangeboden.

  1. Een gebrekkige weg of opstal. Een gat in het wegdek, een losliggende stoeptegel, een ontbrekende afzetting bij werkzaamheden: op grond van artikel 6:174 BW rust op de bezitter of beheerder van een gebrekkige opstal een risicoaansprakelijkheid, en bij openbare wegen ligt die bij het overheidslichaam dat voor de staat van de weg moet zorgen. Fotografeer het gebrek dezelfde dag; wegbeheerders repareren snel.
  2. Uw eigen verzekeringen. Een schadeverzekering voor inzittenden of een ongevallenverzekering keert uit ongeacht schuld. Veel mensen hebben zo'n dekking zonder het te weten — controleer uw autopolis, uw reisverzekering en collectieve regelingen via uw werkgever.
  3. Een gebrekkig voertuig. Faalde een remsysteem, een band of een stuurinrichting, dan kan de producent of de garage die het onderhoud uitvoerde aansprakelijk zijn.

Was u passagier bij een eenzijdig ongeval, dan is uw positie fundamenteel anders en in de regel sterk: de bestuurder van het voertuig waarin u zat is dan uw tegenpartij, en diens WA-verzekering dekt de schade aan de inzittenden.

De aanrijding melden en het schadeformulier

Vul het Europees schadeformulier altijd samen met de tegenpartij in, onderteken het pas als de situatietekening klopt, en teken nooit een formulier waarop schuld wordt erkend die u niet erkent. Het is het enige document uit de eerste minuten dat door beide partijen is bevestigd, en het weegt daardoor in het hele traject zwaar.

Het formulier heeft één berucht zwak punt: mensen tekenen op straat, in shock, iets wat zij niet hebben gelezen — en wat er dan in de rubriek "toedracht" staat, is later bijzonder moeilijk te herroepen. Neem de gegevens dus over van het verzekeringsbewijs, noteer ook naam en adres van de bestuurder als dat een ander is dan de kentekenhouder, en kruis alleen vakjes aan die overeenkomen met wat u zelf heeft waargenomen: elk vakje is een feitelijke stelling. Controleer de situatietekening, vul de rubriek getuigen in, noteer bij opmerkingen dat u het oneens bent met de lezing van de ander, en fotografeer beide exemplaren.

Wanneer u de politie moet inschakelen: bij letsel, bij vermoeden van alcohol of drugs, bij een doorrijder, bij een geschil over de toedracht, bij een buitenlands kenteken, en wanneer de tegenpartij weigert gegevens te verstrekken. Bij letsel is dat geen kwestie van smaak: het proces-verbaal is later vaak het belangrijkste bewijsstuk in uw dossier. Meld het ongeval ook bij uw eigen verzekeraar — een late melding kan uw eigen dekking raken.

Waarom getuigen en foto's later doorslaggevend zijn

Vrijwel elke aansprakelijkheidsdiscussie die vastloopt, loopt vast op de vraag wat er feitelijk is gebeurd — en op dat punt wint niet wie gelijk heeft, maar wie het heeft vastgelegd. Getuigen zijn na een uur vertrokken, remsporen na een dag weg, camerabeelden na een week overschreven.

Hoe dat uitpakt, laat een uitspraak van het gerechtshof Den Haag zien. Een slachtoffer stelde dat een onbekend gebleven vrachtwagen de aanrijding had veroorzaakt en wendde zich tot het Waarborgfonds. Het hof oordeelde dat hij dat bewijs niet had geleverd: hij was "immers de enige die stelt dat een aanrijding met een onbekend gebleven bestuurder heeft plaatsgevonden" (ECLI:NL:GHDHA:2023:422). In een vergelijkbare zaak bij de rechtbank Rotterdam strandde de vordering eveneens op artikel 25 lid 1 sub a WAM omdat getuigen ontbraken (ECLI:NL:RBROT:2021:10582). Beide slachtoffers hadden mogelijk gelijk. Beiden kregen niets.

Leg daarom binnen het eerste uur vast: de eindposities vóórdat er iets wordt verplaatst, de schade van dichtbij en van veraf, het wegdek (remsporen, glas, olie, gaten, gladheid), de omgeving (borden, belijning, verkeerslichten, zicht), naam en telefoonnummer van elke omstander, en welke camera's u ziet hangen.

Dat laatste is het meest onderschat. Beelden van bewakings- en deurbelcamera's worden vaak binnen zeven tot veertien dagen automatisch overschreven. Meld de vindplaatsen dus meteen aan de politie en vraag de eigenaar zelf om de beelden te bewaren.

Aanrijding in het buitenland: waar moet u zijn?

Bij een aanrijding in een andere EU-lidstaat kunt u uw claim in beginsel in Nederland afwikkelen: de buitenlandse verzekeraar moet hier een schaderegelaar hebben, en gebeurt er niets, dan kunt u terecht bij het Nederlandse Schadevergoedingsorgaan. Dat is een Europees stelsel dat in de WAM is verankerd en dat slachtoffers zelden kennen. Artikel 27o lid 1 WAM noemt vier situaties waarin u daar terechtkunt, mits er burgerrechtelijke aansprakelijkheid bestaat:

Grond Wettelijke omschrijving
a binnen drie maanden na indiening van uw verzoek bij de verzekeraar of diens schaderegelaar in Nederland heeft die u "geen met redenen omkleed antwoord" verstrekt
b de verzekeraar heeft nagelaten in Nederland een schaderegelaar aan te stellen
c de verzekeraar kan niet worden geïdentificeerd binnen twee maanden na het feit waaruit de schade is ontstaan
d het motorrijtuig kan niet worden geïdentificeerd

Lid 2 sluit die route af zodra u wél binnen drie maanden een met redenen omkleed antwoord heeft ontvangen, of zodra u rechtstreeks tegen de verzekeraar een rechtsvordering heeft ingesteld.

Bron: wetten.overheid.nl, Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, artikel 27o.

De regeling geldt volgens artikel 27j WAM voor personen met woonplaats in Nederland die schade lijden door motorrijtuigen die gewoonlijk in een andere lidstaat zijn gestald en verzekerd, wanneer het ongeval zich voordeed in een andere lidstaat dan die van hun woonplaats of in een aangesloten staat buiten de EU.

Praktisch: schakel ter plaatse de politie in en vraag om een schriftelijke vastlegging — in veel landen is dat de enige erkende bron. Vul het Europees schadeformulier in, fotografeer het buitenlandse kenteken inclusief landkenmerk, en bewaar alle medische stukken uit het land zelf. Houd er ten slotte rekening mee dat het toepasselijke recht in beginsel dat van het land van het ongeval is: aansprakelijkheid en vaak ook schadebegroting worden naar buitenlands recht beoordeeld, terwijl uw schade in Nederland wordt geleden. Laat zo'n dossier daarom vroeg beoordelen.

Wat moet u doen na een aanrijding? Stappenplan

Direct, op de plaats van het ongeval:

  1. Zorg voor veiligheid: gevarendriehoek, hesje, en waarschuw het overige verkeer.
  2. Bel 112 bij letsel, bij twijfel over letsel, of bij een doorrijder.
  3. Verplaats niets voordat u de eindposities heeft gefotografeerd.
  4. Wissel gegevens uit: naam, adres, kenteken, verzekeringsbewijs, telefoonnummer.
  5. Vul het schadeformulier samen in en teken pas als de tekening klopt.
  6. Noteer getuigen — naam én telefoonnummer.
  7. Fotografeer schade, wegdek, borden, zicht en de omgeving.

In de eerste week:

  1. Laat u medisch onderzoeken en meld álle klachten, ook de lichte.
  2. Meld het ongeval bij uw eigen verzekeraar.
  3. Stel de tegenpartij of diens WAM-verzekeraar schriftelijk aansprakelijk en stuit daarmee de verjaring.
  4. Doe aangifte als er sprake was van doorrijden, alcohol, drugs of roekeloos rijgedrag.
  5. Vraag omliggende bedrijven om camerabeelden te bewaren.
  6. Bewaar beschadigde kleding, de helm en de fiets — dat is bewijsmateriaal, geen afval.

In de maanden daarna:

  1. Houd een schadedossier bij: bonnen, facturen, reiskosten, eigen risico.
  2. Houd een klachtendagboek bij en noteer welke hulp u van anderen krijgt en hoeveel uur dat kost.
  3. Onderteken geen medische machtiging zonder de reikwijdte ervan te beoordelen.
  4. Onderteken niets zolang uw medische situatie nog verandert.
  5. Laat elk bod uitsplitsen per schadepost, en laat de eigen-schuldverdeling in twee stappen onderbouwen.
  6. Bewaak de termijn van drie jaar tegenover de WAM-verzekeraar.

Wanneer heeft u een advocaat nodig, en wat kost dat?

Staat de aansprakelijkheid van een ander vast, dan komen de redelijke kosten van uw rechtsbijstand in beginsel voor rekening van de aansprakelijke partij, als zelfstandige schadepost naast uw overige schade. Dat volgt uit artikel 6:96 lid 2 BW, dat onder meer de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en de redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte als vermogensschade aanmerkt. Daarbij geldt een dubbele redelijkheidstoets: het moet redelijk zijn dat u kosten maakt, en de omvang ervan moet redelijk zijn.

De signalen waarbij deskundige bijstand in de praktijk het meeste verschil maakt:

Signaal Waarom het telt
Er wordt een beroep op overmacht gedaan de drempel is hoog, maar het verweer moet wel weersproken worden
U krijgt 50% aangeboden "omdat dat de regel is" 50% is een bodem, geen uitkomst
Er wordt eigen schuld tegengeworpen causale verdeling en billijkheidscorrectie zijn twee aparte stappen
De tegenpartij is onbekend of onverzekerd de route via het Waarborgfonds kent eigen bewijs- en inspanningseisen
Uw klachten zijn niet objectiveerbaar whiplash, hersenletsel en psychisch letsel vragen een specifieke opbouw
Er is blijvend letsel of blijvende uitval van werk de schade loopt over decennia en moet rekenkundig worden onderbouwd
Het gaat om een kind de 100%-regel, de verjaring en de latere gevolgen vragen een eigen aanpak
Het ongeval gebeurde in het buitenland toepasselijk recht, schaderegelaar en het Schadevergoedingsorgaan
Het bod is niet gespecificeerd of u wordt onder tijdsdruk gezet wat niet uitgesplitst is, is niet te beoordelen; haast dient in de regel de verzekeraar

Over dit advies

Arslan & Arslan Advocaten behandelt letselschadezaken vanuit kantoren in Den Haag, Rotterdam, Amsterdam, Utrecht, Tilburg en Eindhoven. Wij beoordelen uw situatie kosteloos, werken samen met onafhankelijke medisch adviseurs en rekenkundigen, en staan slachtoffers bij van verkeersongevallen, bedrijfsongevallen, medische fouten en geweldsmisdrijven. Naast Nederlands spreken wij Turks en Pools.

**Bel [070 450 0300](tel:+31704500300) of stuur ons uw vraag via het contactformulier.** Wij laten u weten waar u staat en wat de volgende stap is.

Deze pagina geeft algemene informatie en is geen juridisch advies over uw eigen zaak. Aan de genoemde uitgangspunten kunnen geen rechten worden ontleend.