URL: https://arslan.nl/diensten/echtscheiding/
Geschreven door Gülcan Alkilic, advocaat familierecht bij Arslan & Arslan Advocaten. Ingeschreven in het rechtsgebiedenregister van de Nederlandse orde van advocaten voor personen- en familierecht. Laatst bijgewerkt: 31 augustus 2026.
Hoe verloopt een echtscheiding in Nederland?
Een echtscheiding wordt uitgesproken door de rechtbank op een verzoekschrift dat door een advocaat wordt ingediend, en zij komt pas tot stand op het moment dat de beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Tot dat laatste moment bent u nog gewoon getrouwd, ook als de rechter de echtscheiding al heeft uitgesproken.
De wettelijke grond is kort. Artikel 1:150 BW bepaalt dat echtscheiding wordt uitgesproken "op verzoek van één der echtgenoten of op hun gemeenschappelijk verzoek". De enige grond is duurzame ontwrichting: artikel 1:151 BW spreekt van echtscheiding "indien het huwelijk duurzaam ontwricht is". Er is geen schuldvraag, geen bewijs van overspel en geen wachttijd. Wie stelt dat het huwelijk duurzaam ontwricht is, krijgt de echtscheiding in de regel toegewezen — juist omdat het feit dat één van beiden dit volhoudt, de ontwrichting doorgaans aantoont.
De route in stappen:
- Oriëntatie en keuze van het spoor. Gaat u samen naar één advocaat of mediator, of neemt ieder een eigen advocaat? Deze keuze bepaalt de rest van het traject.
- Eventueel voorlopige voorzieningen. Loopt het thuis vast, dan kan de rechter voor de duur van de procedure alvast regelen wie in de woning blijft, waar de kinderen verblijven en wat er betaald wordt (artikelen 822 en 823 Rv). De mondelinge behandeling vangt op grond van artikel 821 lid 2 Rv "niet later aan dan in de derde week volgende op die waarin de voorziening is gevraagd". Vraagt u die voorziening vóór het echtscheidingsverzoek aan, dan moet dat verzoek binnen vier weken na de dagtekening van de beschikking volgen, anders verliest zij haar kracht (artikel 821 lid 4 Rv).
- Ouderschapsplan. Bij minderjarige kinderen moet dit bij het verzoekschrift zitten (artikel 815 lid 2 Rv).
- Convenant. De afspraken over vermogen, woning, pensioen en partneralimentatie worden vastgelegd in een echtscheidingsconvenant.
- Indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank, met de bijlagen van artikel 815 lid 5 Rv: huwelijksakte, geboorteakten van de kinderen en de stukken over de rechtsmacht.
- Verweer of geen verweer. Bij een gemeenschappelijk verzoek is er geen verweer. Bij een eenzijdig verzoek krijgt de andere echtgenoot de gelegenheid een verweerschrift in te dienen en zelf verzoeken te doen.
- Zitting, als die nodig is. Bij een volledig geregeld gemeenschappelijk verzoek blijft een zitting vaak achterwege.
- Beschikking. De rechter spreekt de echtscheiding uit en beslist over de nevenvoorzieningen van artikel 827 Rv: alimentatie, verdeling van de gemeenschap of verrekening, gezag, hoofdverblijfplaats, zorgregeling en het voortgezet gebruik van de woning.
- Inschrijving. De beschikking wordt ingeschreven bij de burgerlijke stand van de gemeente waar u bent getrouwd. Pas dan is het huwelijk geëindigd (artikel 1:163 lid 1 BW).
Bron: Burgerlijk Wetboek Boek 1 en Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, wetten.overheid.nl.
Let op de vervaltermijn voor de inschrijving. Artikel 1:163 lid 3 BW: "Indien het verzoek tot inschrijving niet is gedaan uiterlijk zes maanden na de dag waarop de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, verliest de beschikking haar kracht." Wie die zes maanden laat verstrijken, is nog steeds getrouwd en moet de hele procedure opnieuw doen. Dit gaat in de praktijk vaker mis dan u zou denken, meestal doordat partijen na de uitspraak nog ruziën over een restpunt.
Kan ik scheiden zonder advocaat?
Nee. Een echtscheiding loopt via een verzoekschrift bij de rechtbank, en dat verzoekschrift moet op grond van artikel 815 lid 1 juncto artikel 278 lid 3 Rv door een advocaat worden ondertekend. U kunt de scheiding niet bij de gemeente of bij de notaris regelen, en u kunt het verzoek ook niet zelf indienen.
Wat wél kan, is samen één advocaat of één mediator inschakelen. Dat is de goedkoopste en in de regel de snelste route: één professional begeleidt u beiden, stelt het ouderschapsplan en het convenant op en dient het gemeenschappelijk verzoek in. Bij een mediator die zelf geen advocaat is, wordt het verzoekschrift alsnog door een advocaat ingediend. Bron: Rijksoverheid, scheiding aanvragen.
De keerzijde van één gezamenlijke advocaat is dat die niet partijdig mag zijn. Hij kan u beiden uitleggen wat de wet zegt, maar hij kan niet voor de één onderhandelen tegen de ander. Zodra er een reëel belangenverschil is — over de waarde van een onderneming, over de vraag of iemand kan werken, over de zorgverdeling — is een gezamenlijke advocaat niet langer passend. In dat geval trekt hij zich terug en gaat u alsnog met twee advocaten verder, met verlies van tijd en geld.
Onze ervaring: kies één advocaat wanneer u het eens bent over de hoofdlijnen en alleen de uitwerking nog moet gebeuren. Kies twee zodra er één onderwerp is waarover u fundamenteel van mening verschilt. Het is goedkoper om dat aan het begin te erkennen dan halverwege.
Wat u wel zonder advocaat kunt beëindigen, is een geregistreerd partnerschap zonder gezamenlijke kinderen — maar ook daar moet een advocaat of notaris de beëindigingsverklaring meeondertekenen. Zie de sectie over het geregistreerd partnerschap verderop.
Hoe lang duurt een echtscheiding?
Er staat geen wettelijke termijn op een echtscheidingsprocedure; de duur wordt bepaald door de mate waarin u het eens bent, en pas daarna door de rechtbank. Een volledig geregeld gemeenschappelijk verzoek is doorgaans een kwestie van maanden; een zaak waarin over gezag, alimentatie en vermogen wordt geprocedeerd, loopt in de regel aanzienlijk langer, zeker als er een deskundige of de Raad voor de Kinderbescherming bij komt.
De Rechtspraak zelf geeft geen gemiddelde maar een bandbreedte: "De echtscheidingsprocedure duurt minimaal 6 weken tot meer dan 1 jaar, afhankelijk van hoe snel u het met elkaar eens wordt over de scheiding." Bron: Rechtspraak, echtscheidingsprocedure. Behandel dat als een bandbreedte en niet als een verwachting: wij noemen hier bewust geen gemiddelde in weken, omdat doorlooptijden per rechtbank en per periode verschillen en een gemiddelde dat u elders leest vrijwel altijd achterhaald of uit zijn verband gerukt is. Actuele behandeltermijnen zijn te raadplegen via rechtspraak.nl.
Wat de duur in uw zaak feitelijk bepaalt:
| Factor | Effect op de doorlooptijd |
|---|---|
| Gemeenschappelijk of eenzijdig verzoek | een gemeenschappelijk verzoek kent geen verweertermijn en vaak geen zitting |
| Ouderschapsplan rond of niet | zonder plan houdt de rechter beslissingen over de kinderen in beginsel aan |
| Onderneming, eigen woning of buitenlands vermogen | waardering kost tijd, soms met een deskundige |
| Onenigheid over gezag of hoofdverblijf | onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming duurt maanden |
| Internationale elementen | eerst moet de bevoegdheids- en rechtskeuzevraag beslist worden |
| Hoger beroep | een beroep tegen de nevenvoorzieningen verlengt de zaak met een volledige instantie |
Wat u zelf kunt versnellen: volledige financiële stukken in één keer aanleveren, en de discussie beperken tot de punten die er werkelijk toe doen. Zaken lopen zelden vast op het juridische geschil; ze lopen vast op ontbrekende jaarstukken, een taxatie die niemand bestelt en een e-mailwisseling die nergens toe leidt.
Scheiden op gemeenschappelijk verzoek of eenzijdig: wat is het verschil?
Bij een gemeenschappelijk verzoek dienen u en uw partner samen één verzoekschrift in waarin u de rechter vraagt uw afspraken te bekrachtigen; bij een eenzijdig verzoek dient één van u het verzoek in en krijgt de ander de gelegenheid verweer te voeren en eigen verzoeken te doen. De uitkomst — een uitgesproken echtscheiding — is dezelfde; het verschil zit in tempo, kosten en de mate waarin u zelf de inhoud bepaalt.
| Gemeenschappelijk verzoek | Eenzijdig verzoek | |
|---|---|---|
| Wettelijke grond | artikel 1:154 lid 1 BW: beider oordeel dat het huwelijk duurzaam ontwricht is | artikel 1:151 BW: duurzame ontwrichting |
| Aantal advocaten | één kan volstaan | ieder een eigen advocaat |
| Verweer | niet aan de orde | de andere echtgenoot kan een verweerschrift indienen |
| Wie bepaalt de inhoud | u samen, via convenant en ouderschapsplan | uiteindelijk de rechter, op de punten waarover u het oneens bent |
| Zitting | vaak niet nodig | in de regel wel |
| Kosten | in beginsel het laagst | hoger, en oplopend met het aantal geschilpunten |
| Intrekken | tot de uitspraak kan ieder het verzoek intrekken (artikel 1:154 lid 2 BW) | de verzoeker kan intrekken |
Het belangrijkste gevolg is inhoudelijk, niet procedureel. Bij een gemeenschappelijk verzoek liggen uw afspraken in een convenant en houdt u de regie. Bij een eenzijdig verzoek beslist de rechter, en die beslist op de stukken die hij krijgt — niet op wat u had bedoeld. Een rechter die over de zorgverdeling moet oordelen zonder dat de ouders er zelf uit zijn gekomen, kiest onvermijdelijk een regeling die geen van beiden helemaal wilde.
Een eenzijdig verzoek is geen vijandige daad. Het is regelmatig de enige manier om beweging te krijgen wanneer de ander niets doet, of om via voorlopige voorzieningen snel duidelijkheid te krijgen over de woning en de kinderen. Ook een eenzijdig gestart traject eindigt vaak alsnog in een convenant.
Hoe werkt een ouderschapsplan bij scheiding?
Heeft u minderjarige kinderen, dan moet er een door beide ouders ondertekend ouderschapsplan bij het echtscheidingsverzoek zitten; zonder dat plan is het verzoek in beginsel niet compleet. Dat staat in artikel 815 lid 2 Rv: het verzoekschrift "bevat een door beide echtgenoten ondertekend ouderschapsplan" ten aanzien van hun gezamenlijke minderjarige kinderen, ongeacht of zij het gezag al dan niet gezamenlijk uitoefenen.
De verplichting geldt niet alleen voor gehuwden. Artikel 1:247a BW legt dezelfde plicht op aan ouders die het gezag gezamenlijk uitoefenen en hun samenleving beëindigen: zij "stellen een ouderschapsplan op als bedoeld in artikel 815, tweede en derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering". Ook samenwoners met gezamenlijk gezag ontkomen er dus niet aan.
Wat als u er niet uitkomt? Het plan is een processuele eis, geen absolute drempel. Artikel 815 lid 6 Rv bepaalt dat, indien het ouderschapsplan "redelijkerwijs niet kan worden overgelegd", kan worden volstaan met andere stukken of op andere wijze daarin kan worden voorzien, "een en ander ter beoordeling van de rechter". In de praktijk ziet u dan ook dat rechtbanken het verzoek toch behandelen wanneer duidelijk is dat de ouders er samen niet uit zijn gekomen — de rechtbank Den Haag overwoog in een zaak uit 2025 dat het de ouders niet was gelukt samen afspraken te maken en ging daarom "voorbij aan het vereiste van artikel 815 lid 2 Rv" (ECLI:NL:RBDHA:2025:23919). U kunt daar echter niet op vertrouwen: de rechtbank heeft ook de bevoegdheid het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren.
Er zit bovendien een aanhoudingsbepaling in de wet die minder bekend is. Rust op de ouders de plicht van artikel 1:247a BW en hebben zij daaraan niet voldaan, dan houdt de rechter op grond van artikel 1:253a lid 3 BW de beslissing over gezag, hoofdverblijf en zorgverdeling ambtshalve aan totdat er wél een plan ligt — tenzij het belang van het kind zich daartegen verzet. Geen plan betekent in dat geval dus vertraging op precies de onderwerpen waarover u duidelijkheid wilde.
Wat moet er in een ouderschapsplan staan?
Artikel 815 lid 3 Rv noemt drie onderwerpen die er in ieder geval in moeten staan: de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of de vormgeving van de omgang, de wijze waarop u elkaar informeert en raadpleegt over gewichtige aangelegenheden, en de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen. Alles daarbuiten is vrij — en dat is precies waar het verschil zit tussen een plan dat werkt en een plan dat de eerste vakantie niet overleeft.
Daarnaast eist artikel 815 lid 4 Rv dat het verzoekschrift vermeldt "op welke wijze de kinderen zijn betrokken bij het opstellen van het ouderschapsplan". Het kind heeft dus een stem, aangepast aan leeftijd en begripsvermogen.
De wettelijke minimuminhoud:
| Wat de wet eist | Waar het concreet over gaat |
|---|---|
| Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, of de omgang | wie het kind wanneer verzorgt; het schema door de week, in het weekend, in vakanties en op feestdagen |
| Informatie en raadpleging | hoe u elkaar op de hoogte houdt en betrekt bij school, gezondheid, sport en belangrijke keuzes |
| Kosten van verzorging en opvoeding | de kinderalimentatie, en wie welke kosten draagt |
| Betrokkenheid van de kinderen | hoe u het kind heeft gehoord en wat daarmee is gedaan |
Wat er in de praktijk óók in hoort, omdat het anders binnen een jaar tot conflict leidt:
- de hoofdverblijfplaats van het kind, met het oog op inschrijving, kinderbijslag en toeslagen;
- hoe u omgaat met een verhuizing, en binnen welke afstand dat zonder overleg mag;
- reizen naar het buitenland: toestemming, paspoort en, bij familie in Turkije of Polen, de termijn en de heen- en terugreisdatum;
- schoolkeuze en de overgang naar het voortgezet onderwijs;
- medische beslissingen en wie welke behandelaar mag benaderen;
- bijzondere kosten: orthodontie, een dure sport, bijles, een studiereis;
- een nieuwe partner: wanneer u die introduceert en wat u van elkaar verwacht;
- hoe u het plan periodiek evalueert, en wat u doet bij een geschil — bijvoorbeeld eerst een gesprek met een mediator voordat iemand naar de rechter stapt.
De meest gemaakte fout is een plan dat te vaag is. "In onderling overleg" en "in redelijkheid" zijn prettige woorden op het moment dat u nog met elkaar praat, en waardeloos op het moment dat dat niet meer lukt. Een goed ouderschapsplan is geschreven voor de slechtste versie van uw onderlinge verhouding, niet voor de beste. Schrijf de vakantieverdeling voor de komende jaren uit, met even en oneven jaren, en noteer de ophaal- en brengtijden.
Wat betekent gezag precies?
Ouderlijk gezag is de plicht en het recht om uw minderjarige kind te verzorgen en op te voeden, en daarmee de bevoegdheid om de beslissingen over dat kind te nemen — over school, medische behandeling, verblijfplaats en het beheer van zijn vermogen. Artikel 1:247 lid 1 BW omschrijft het als "de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden".
Lid 2 vult in wat daaronder valt: "de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid". Dezelfde bepaling verbiedt uitdrukkelijk geestelijk of lichamelijk geweld en elke andere vernederende behandeling.
Er zit ook een verplichting in die bij een scheiding zwaar weegt. Artikel 1:247 lid 3 BW: het gezag "omvat mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen". Een ouder die de band met de andere ouder actief tegenwerkt, schendt dus zijn eigen gezagsplicht — en dat is een argument dat in gezagsprocedures gewicht heeft.
Gezag gaat niet vanzelf weg door een scheiding. Artikel 1:251 lid 2 BW: na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood "blijven de ouders die gezamenlijk het gezag hebben, dit gezag gezamenlijk uitoefenen". Dat is de hoofdregel, en de rechter hoeft er niets over te beslissen als niemand erom vraagt.
Daarnaast geeft artikel 1:247 lid 4 BW het kind na de scheiding "recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders". Gelijkwaardig is niet hetzelfde als gelijk: in de rechtspraak is aanvaard dat dit uitgangspunt niet verplicht tot een verdeling van vijftig-vijftig van de tijd. Lid 5 laat toe dat ouders in het ouderschapsplan rekening houden met praktische belemmeringen, maar uitsluitend voor zover en zolang die bestaan.
Gezag, hoofdverblijfplaats en omgangsregeling: wat is het verschil?
Gezag gaat over wie de beslissingen neemt, hoofdverblijfplaats over waar het kind administratief woont, en de omgangs- of zorgregeling over wie het kind wanneer feitelijk verzorgt. Het zijn drie losse vragen, en de beantwoording van de ene zegt niets over de andere. Dit is het onderwerp waarover in onze praktijk de meeste misverstanden bestaan, en waar de meeste onnodige procedures uit voortkomen.
| Gezag | Hoofdverblijfplaats | Zorgregeling / omgang | |
|---|---|---|---|
| Waar het over gaat | beslissingsbevoegdheid | inschrijving in de basisregistratie | feitelijke verzorging en contact |
| Wettelijke basis | artikelen 1:245 e.v. BW | artikel 1:253a lid 2 sub b BW | artikel 1:253a lid 2 sub a BW (gezamenlijk gezag) of artikel 1:377a BW (omgang) |
| Kan gedeeld zijn | ja, en dat is de hoofdregel | nee, het kind heeft er één | ja, in elke gewenste verdeling |
| Gevolg voor kinderbijslag en toeslagen | geen rechtstreeks gevolg | wel — de administratieve gevolgen hangen hieraan | geen rechtstreeks gevolg |
| Wie beslist bij onenigheid | de rechter, artikel 1:251a BW | de rechter, artikel 1:253a BW | de rechter, artikel 1:253a of 1:377a BW |
Waarom mensen dit door elkaar halen. Ouders denken vaak dat de ouder bij wie het kind staat ingeschreven "de baas" is, of dat gezamenlijk gezag automatisch betekent dat het kind de helft van de tijd bij ieder is. Beide zijn onjuist. Twee ouders met gezamenlijk gezag hebben precies dezelfde beslissingsbevoegdheid, ook als het kind bij de één staat ingeschreven en de ander het kind om het weekend ziet. En omgekeerd: een ouder zónder gezag heeft nog steeds recht op omgang, want artikel 1:377a lid 1 BW bepaalt uitdrukkelijk dat "de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind" heeft.
De term hangt af van het gezag. Hebben beide ouders gezag, dan spreekt de wet niet van omgang maar van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (artikel 1:253a lid 2 sub a BW). Heeft één ouder het gezag, dan gaat het om omgang (artikel 1:377a BW). Feitelijk kan het schema identiek zijn; juridisch is de grondslag anders, en dat is van belang voor wat u precies moet verzoeken.
Omgang wordt niet snel ontzegd. Artikel 1:377a lid 3 BW noemt vier — en slechts vier — gronden: omgang die ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind; kennelijke ongeschiktheid of kennelijk onvermogen tot omgang; ernstige bezwaren van een kind van twaalf jaar of ouder, bij zijn verhoor gebleken; of strijd met zwaarwegende belangen van het kind. Buiten die vier gronden is er geen ruimte, en een ouder die de omgang eenzijdig stopzet omdat hij "het niet meer ziet zitten", staat juridisch zwak.
Voor de niet-verzorgende ouder is er verder een informatierecht. Artikel 1:377b lid 1 BW verplicht de gezaghebbende ouder de andere ouder op de hoogte te stellen van gewichtige aangelegenheden en deze daarover te raadplegen.
Wanneer krijgt één ouder het gezag alleen?
Eenhoofdig gezag wordt in de regel alleen toegewezen als er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders en er niet binnen afzienbare tijd verbetering te verwachten is, of als wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Dat zijn de twee gronden van artikel 1:251a lid 1 BW, en de rechtspraak past ze terughoudend toe.
De rechtbank Gelderland formuleerde het zo: de rechter kan het verzoek toewijzen "als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt, of als wijziging van het gezag om andere redenen in het belang van het kind noodzakelijk is" (ECLI:NL:RBGEL:2026:1127).
Wat de drempel in de praktijk zo hoog maakt, is het woord klem. Slechte communicatie tussen ouders is op zichzelf onvoldoende; de rechtbank Amsterdam overwoog in een zaak waarin er zelfs geen contact was tussen moeder en kind, dat het weliswaar "soms lastig is voor partijen om tot gezamenlijke afspraken te komen", maar dat er "geen grond" was voor eenhoofdig gezag (ECLI:NL:RBAMS:2024:8357). Er moet uit de feiten blijken dat het kind zelf de dupe wordt van het gezamenlijke gezag, en dat het niet met begeleiding op te lossen valt.
Situaties waarin eenhoofdig gezag in de praktijk eerder aan de orde is:
- structureel huiselijk geweld of een strafrechtelijk verleden dat het kind rechtstreeks raakt;
- een ouder die feitelijk onbereikbaar is, waardoor noodzakelijke beslissingen — een medische behandeling, een paspoort, een schoolinschrijving — blijven liggen;
- een ouder die de handtekening structureel gebruikt als drukmiddel in een ander conflict;
- een jarenlange, volledig vastgelopen verhouding waarin alle hulpverlening is uitgeput.
Bedenk dat de rechter ambtshalve kan beslissen als een minderjarige van twaalf jaar of ouder daar prijs op blijkt te stellen, en ook bij een jonger kind dat tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is (artikel 1:251a lid 4 BW).
Een tussenweg die vaak beter werkt: een geschil over één concrete beslissing kunt u op grond van artikel 1:253a lid 1 BW aan de rechtbank voorleggen zonder dat het gezag zelf ter discussie staat. De rechtbank "neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt" en behandelt zo'n verzoek volgens lid 6 binnen zes weken. Dat is sneller, goedkoper en minder beschadigend dan een gezagsprocedure.
Gezag aanvragen als vader: hoe zit dat?
Bij erkenningen die zijn gedaan op of na 1 januari 2023 krijgt de erkenner in beginsel van rechtswege gezamenlijk gezag met de moeder; is er vóór die datum erkend, dan geldt dat niet en moet het gezag alsnog worden geregeld. Artikel 1:251b lid 1 BW bepaalt nu dat "de moeder en de persoon die een kind heeft erkend het gezag over hun kind gezamenlijk uitoefenen", op een aantal uitzonderingen na.
De uitzonderingen van lid 1 zijn: er is een voogd, de voorziening in het gezag ontbreekt, de gezaghebbende ouder oefent het gezag samen met een niet-ouder uit, of de erkenner had eerder al gezag. Daarnaast oefent de moeder het gezag alleen uit als in de erkenningsakte staat dat de ouders dat zo hebben verklaard, of als de rechtbank vervangende toestemming voor de erkenning heeft verleend (artikel 1:251b lid 2 BW).
Voor de oude gevallen — en dat zijn er veel — loopt het langs twee wegen:
| Route | Wanneer | Hoe |
|---|---|---|
| Gezamenlijke aantekening in het gezagsregister | u bent het samen eens | digitaal verzoek van beide ouders bij de rechtbank, in de regel met DigiD |
| Verzoek aan de rechtbank, artikel 1:253c BW | de moeder werkt niet mee | via een advocaat |
Voor de rechterlijke route is de drempel voor de vader gunstig geformuleerd. Artikel 1:253c lid 2 BW: strekt het verzoek ertoe de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en stemt de andere ouder niet in, dan wordt het verzoek "slechts afgewezen" als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren raakt zonder uitzicht op verbetering, of als afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Het uitgangspunt is dus toewijzing, en de moeder die zich verzet moet uitleggen waarom een van beide afwijzingsgronden zich voordoet.
Erkenning en gezag zijn overigens twee verschillende dingen. Erkenning maakt u juridisch ouder; gezag geeft u de beslissingsbevoegdheid. Wie voor 2023 heeft erkend zonder gezagsaantekening, is wél ouder maar heeft géén gezag — met als praktisch gevolg dat hij niet mee mag beslissen over school en medische behandeling en het kind niet zonder toestemming mee naar het buitenland kan nemen.
Waar is kinderalimentatie op gebaseerd, en tot welke leeftijd geldt die?
Ouders zijn verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen, en die plicht loopt door tot het kind 21 jaar wordt. Artikel 1:404 lid 1 BW legt de verplichting op voor minderjarigen; artikel 1:395a lid 1 BW verlengt haar: "Ouders zijn verplicht te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van een en twintig jaren niet hebben bereikt."
Tot 21 jaar hoeft het kind geen behoeftigheid aan te tonen. Artikel 1:392 lid 2 BW zondert ouders jegens hun minderjarige kinderen en jegens hun kinderen bedoeld in artikel 1:395a BW uitdrukkelijk uit van het behoeftigheidsvereiste. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch verwoordde het gevolg helder: "Ouders zijn immers onderhoudsplichtig jegens hun kinderen die jonger zijn dan 21 jaar, ook als die kinderen niet behoeftig zijn doordat zij in hun eigen levensonderhoud zouden kunnen voorzien" (ECLI:NL:GHSHE:2017:5393). Vanaf 21 jaar keert dat om: dan bestaat er alleen nog een onderhoudsplicht bij behoeftigheid.
Vanaf 18 jaar heeft het kind bovendien een eigen aanspraak. De alimentatie wordt dan niet meer aan de andere ouder maar aan het kind zelf betaald.
Waarop de hoogte is gebaseerd. Artikel 1:397 lid 1 BW geeft de maatstaf: er wordt "enerzijds rekening gehouden met de behoeften van de tot onderhoud gerechtigde en anderzijds met de draagkracht van de tot uitkering verplichte persoon". Twee grootheden dus:
- Behoefte — wat het kind kost. Die wordt in de praktijk afgeleid van het netto besteedbare gezinsinkomen zoals dat was toen het gezin nog bij elkaar was. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch overwoog dat niet de feitelijke uitgaven van het gezin de maatstaf zijn, maar "het netto besteedbare inkomen van het gezin" (ECLI:NL:GHSHE:2006:AY6457).
- Draagkracht — wat een ouder kan missen, gegeven zijn inkomen en zijn eigen noodzakelijke lasten.
De rekenmethode zelf staat niet in de wet. Rechters werken met de aanbevelingen van de expertgroep alimentatienormen, in de praktijk de Tremanormen genoemd. Die aanbevelingen worden periodiek herzien; zij zijn geen wet, maar in de rechtspraak wordt er zeer breed op teruggegrepen. Uit de rechtspraak blijkt ook hoe de wet daarop doorwerkt: naar aanleiding van de wettelijke voorrang voor kinderalimentatie in artikel 1:400 lid 1 BW zijn de aanbevelingen zo aangepast dat "de nieuwe partner buiten de berekening van de draagkracht dient te blijven in die zin dat de onderhoudsplichtige in de draagkrachtberekening dient te worden aangemerkt als alleenstaande" (ECLI:NL:GHARN:2011:BQ5183).
Wij noemen op deze pagina bewust geen percentages en geen tabelbedragen. De normbedragen worden jaarlijks aangepast en de systematiek is in de afgelopen jaren meermaals gewijzigd; een percentage dat u ergens leest, is vaker verouderd dan actueel. Een reële berekening vraagt uw beider netto besteedbaar inkomen, de zorgverdeling en de lasten — en die berekening is in een uur te maken.
Twee regels die u wél moet kennen:
- Kinderalimentatie gaat voor. Artikel 1:400 lid 1 BW geeft kinderen en stiefkinderen onder de 21 voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden, dus ook boven de ex-partner. Is de draagkracht beperkt, dan gaan de kinderen eerst.
- Afzien kan niet. Artikel 1:400 lid 2 BW: "Overeenkomsten waarbij van het volgens de wet verschuldigde levensonderhoud wordt afgezien, zijn nietig." Een afspraak in een convenant dat er geen kinderalimentatie betaald wordt, is dus niet bindend en kan later alsnog worden opengebroken.
Ten slotte kan ook een stiefouder onderhoudsplichtig zijn: artikel 1:395 BW verplicht hem gedurende zijn huwelijk of geregistreerd partnerschap tot levensonderhoud voor de tot zijn gezin behorende minderjarige stiefkinderen.
Is partneralimentatie verplicht, en hoe lang duurt die?
Partneralimentatie is niet automatisch verschuldigd: de rechter kan haar toekennen aan de echtgenoot die niet voldoende inkomsten heeft en zich die ook niet in redelijkheid kan verwerven. Sinds 1 januari 2020 duurt zij in beginsel de helft van de duur van het huwelijk, met een maximum van vijf jaar — met vier uitzonderingen. De hoofdregel staat in artikel 1:157 lid 1 BW: heeft de rechter geen termijn vastgesteld, dan eindigt de verplichting van rechtswege "na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van vijf jaren".
De grondslag voor het recht zelf staat in artikel 1:156 BW: de rechter kan een uitkering toekennen aan de echtgenoot "die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven". Er is dus geen recht zonder behoefte, en geen recht zonder draagkracht aan de andere kant — artikel 1:397 lid 1 BW geldt hier evenzeer.
De uitzonderingen op de duur, letterlijk uit de wet:
| Situatie | Duur | Grondslag |
|---|---|---|
| Hoofdregel | de helft van de huwelijksduur, maximaal vijf jaar | artikel 1:157 lid 1 BW |
| Huwelijk langer dan vijftien jaar én de alimentatiegerechtigde is bij indiening van het verzoek ten hoogste tien jaar jonger dan de AOW-leeftijd | tot het bereiken van die AOW-leeftijd | artikel 1:157 lid 2 BW |
| Huwelijk langer dan vijftien jaar, de gerechtigde is geboren op of vóór 1 januari 1970 en is meer dan tien jaar jonger dan de AOW-leeftijd | tien jaar | artikel 1:157 lid 3 BW |
| Er zijn uit het huwelijk kinderen geboren | niet eerder dan tot het jongste kind twaalf jaar wordt | artikel 1:157 lid 4 BW |
| Meerdere uitzonderingen tegelijk | de langste termijn geldt | artikel 1:157 lid 5 BW |
De termijn begint niet op de dag van de uitspraak. Artikel 1:157 lid 6 BW: de termijn "vangt aan op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand".
De kinderuitzondering van lid 4 is streng geformuleerd en wordt ook zo toegepast. De rechtbank Zeeland-West-Brabant merkte op dat de tekst "vrij dwingend" is: zijn er kinderen uit het huwelijk geboren, dan eindigt de verplichting niet eerder dan wanneer die kinderen twaalf jaar zijn geworden — hoe de zorg feitelijk is verdeeld, doet daaraan niet af (ECLI:NL:RBZWB:2023:7384).
De hardheidsclausule. Artikel 1:157 lid 7 BW geeft een uitweg wanneer ongewijzigde beëindiging "naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden gevergd" van de alimentatiegerechtigde. De rechter kan dan alsnog een termijn vaststellen. Let op de vervaltermijn: het verzoek moet worden ingediend "voordat drie maanden sinds de beëindiging van de uitkering zijn verstreken". Die drie maanden zijn hard en worden in de praktijk regelmatig gemist.
Wanneer partneralimentatie eerder eindigt. Artikel 1:160 BW: de verplichting eindigt wanneer de ontvanger "opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren". Het gevolg is definitief: de alimentatie herleeft niet als die nieuwe relatie strandt. Juist daarom wordt de bepaling in de rechtspraak restrictief uitgelegd. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: "Het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de in artikel 1:160 BW besloten liggende sanctie vergt dat deze bepaling restrictief dient te worden uitgelegd, hetgeen meebrengt dat niet snel mag worden aangenomen dat is voldaan aan de door deze bepaling gestelde eisen" (ECLI:NL:GHARL:2017:1472). Vereist is onder meer een affectieve relatie van duurzame aard die meebrengt dat men elkaar wederzijds verzorgt en een gemeenschappelijke huishouding voert. Enkel samenwonen is niet genoeg — maar wie het risico loopt, moet weten dat de bewijsvoering hierover indringend is en tot inzage in de eigen financiële administratie kan leiden.
U kunt hierover ook zelf afspraken maken. Artikel 1:158 BW laat toe dat echtgenoten vóór of na de beschikking bij overeenkomst bepalen of, en tot welk bedrag, er alimentatie wordt betaald. Staat er geen termijn in, dan gelden de wettelijke termijnen van artikel 1:157 alsnog.
Mijn ex-partner is werkloos geworden: kan de alimentatie worden gewijzigd?
Ja. Een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst over levensonderhoud kan bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Dat is artikel 1:401 lid 1 BW, en het is de bepaling waarop vrijwel elke alimentatiewijziging berust.
De drempel is lager dan mensen denken: het gaat om een relevante wijziging, niet om een schokkende. Baanverlies, arbeidsongeschiktheid, een structureel ander inkomen, een nieuw kind, een verruimde zorgregeling of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zijn alle voorbeelden die in de rechtspraak als wijziging van omstandigheden worden aanvaard. De rechtbank Den Haag nam een wijziging aan omdat "de zorgregeling na de vaststelling van de kinderalimentatie is verruimd en beide ouders met hun huidige partner een kind hebben gekregen" (ECLI:NL:RBDHA:2026:21541).
Wat er daarna gebeurt, is belangrijker dan de drempel. Staat de wijziging eenmaal vast, dan stelt de rechter de alimentatie geheel opnieuw vast op basis van alle op dat moment bestaande omstandigheden. Hij hoeft niet te onderzoeken of iedere afzonderlijke omstandigheid is veranderd, en hij is niet gebonden aan beslissingen uit de eerdere uitspraak. De procureur-generaal bij de Hoge Raad vatte het zo samen: de alimentatierechter "moet op grond van alle ten tijde van zijn beschikking bestaande relevante omstandigheden een nieuwe alimentatie vaststellen, ook als die omstandigheden bij de eerdere alimentatie-uitspraak wel bestonden, maar niet zijn opgevoerd" (ECLI:NL:PHR:2018:1405). Een wijzigingsverzoek zet de zaak dus in beginsel volledig open — voor beide partijen.
Twee bijzondere routes:
- Van meet af aan onjuist. Artikel 1:401 lid 4 BW: een uitspraak kan ook worden gewijzigd of ingetrokken "indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan". Dat is de route bij verzwegen inkomen of een procedure waarvan iemand feitelijk niets wist.
- Wijziging van een vastgestelde termijn. Voor het verlengen van een termijn geldt niet lid 1 maar lid 2, met een zwaardere maatstaf: er moet sprake zijn van "zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de verzoeker kan worden gevergd".
- Een overeenkomst openbreken. Ging het niet om een rechterlijke uitspraak maar om een afspraak in het convenant, dan geldt voor de "van de aanvang af onjuist"-route de zwaardere maatstaf van artikel 1:401 lid 5 BW: grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Een convenant is dus aanmerkelijk moeilijker open te breken dan een beschikking — reden te meer om er bij het tekenen goed naar te laten kijken.
Praktisch: een wijziging werkt in beginsel niet automatisch terug. Wie een lagere alimentatie wil omdat hij zijn baan is kwijtgeraakt, doet er verstandig aan dat direct kenbaar te maken en niet eerst een half jaar te wachten — een achterstand die intussen ontstaat, blijft in de regel gewoon opeisbaar. En stopt u eenzijdig met betalen, dan kan het LBIO de inning overnemen, met kosten die daar bovenop komen.
Echtscheiding en de woning: wie mag erin blijven?
Tijdens de procedure kan de rechter bij voorlopige voorziening bepalen dat één van u bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning; ná de inschrijving van de echtscheiding kan hij het voortgezet gebruik toewijzen voor zes maanden. Dat zijn twee verschillende regelingen, met twee verschillende grondslagen.
Tijdens het geding geldt artikel 822 lid 1 sub a Rv: de rechter kan voor de duur van het geding bepalen "dat één der echtgenoten bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning met bevel dat de andere echtgenoot die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden". Die voorziening verliest op grond van artikel 826 lid 1 Rv haar kracht zodra de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven — met dien verstande dat zij bij een huurwoning doorloopt totdat op het huurverzoek is beslist.
Ná de inschrijving geldt artikel 1:165 lid 1 BW: de rechter kan bepalen dat de echtgenoot die de woning ten tijde van de inschrijving bewoont, bevoegd is "de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking tegen een redelijke vergoeding voort te zetten". Zes maanden, tegen een redelijke vergoeding — het is een overbruggingsregeling, geen permanente oplossing.
Bij een huurwoning ligt het anders. Artikel 7:266 lid 1 BW maakt de echtgenoot of geregistreerd partner van een huurder van rechtswege medehuurder zolang de woning hem tot hoofdverblijf strekt, ongeacht wanneer de huurovereenkomst is gesloten. Bij de scheiding kan de rechter op grond van artikel 7:266 lid 5 BW "bepalen wie van de echtgenoten of geregistreerde partners huurder van de woonruimte zal zijn"; hij bepaalt tevens de ingangsdatum, en op dezelfde dag eindigt de huur met de ander. Dit is een van de nevenvoorzieningen die u in de echtscheidingsprocedure kunt verzoeken (artikel 827 lid 1 sub f Rv). Doet u dat niet, dan blijft u beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de huur — artikel 7:266 lid 2 BW.
Wat het gebruiksrecht níét regelt: de eigendom, de hypotheek en de vraag wie er uiteindelijk blijft wonen. Dat loopt langs de verdeling.
Hoe wordt het huis verdeeld bij een scheiding?
Bij een koopwoning zijn er in beginsel drie uitkomsten: de woning gaat naar de één met verrekening van de overwaarde of onderwaarde, zij gaat naar de ander, of zij wordt verkocht en de opbrengst wordt verdeeld. De harde randvoorwaarde is dat de vertrekkende partner uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek moet worden ontslagen. Dat laatste is het punt waarop de meeste verdelingen stranden, en het is geen juridische maar een bancaire beslissing.
De stappen:
- Waarde bepalen. In de regel via een taxatie, soms via een gezamenlijk gekozen makelaar. Peildatum en waarderingsgrondslag legt u expliciet vast; doet u dat niet, dan wordt daar later over gediscussieerd.
- Saldo bepalen. Waarde minus hypotheekschuld levert de over- of onderwaarde op.
- Verdelen. Bij een gemeenschap van goederen hebben de echtgenoten op grond van artikel 1:100 lid 1 BW "een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap", tenzij bij huwelijkse voorwaarden of bij een schriftelijke overeenkomst met het oog op de ontbinding anders is bepaald.
- Vergoedingsrechten verrekenen. Is er privévermogen in de woning gestoken — een erfenis, een schenking, voorhuwelijks spaargeld — dan kan daar een vergoedingsrecht uit voortvloeien. Dit is in de praktijk het meest onderschatte onderdeel.
- Ontslag hoofdelijke aansprakelijkheid aanvragen bij de geldverstrekker. Die toetst of de blijvende partner de hypotheek alleen kan dragen.
- Leveren bij de notaris.
Waarom stap 5 alles bepaalt. Zonder ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid blijft de vertrekkende partner tegenover de bank aansprakelijk voor de hele lening, hoe de verdeling onderling ook is geregeld. Een afspraak tussen u beiden bindt de bank niet. In convenanten wordt de toedeling daarom in de regel gekoppeld aan een voorwaarde: de rechtbank Den Haag zette de voorwaarden voor de verdeling van een woning uiteen als een "spoorboekje" met daarin uitdrukkelijk het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid (ECLI:NL:RBDHA:2024:15979). Wordt dat ontslag niet verleend, dan valt de toedeling terug op verkoop.
Verzuim deze afspraken niet te maken: wie tot de levering in de woning blijft, betaalt in de regel een gebruiksvergoeding aan de ander; de lasten die intussen doorlopen — rente, aflossing, eigenaarslasten, onderhoud — moeten worden verdeeld; en de gevolgen voor de hypotheekrenteaftrek van beiden moeten worden nagegaan. Regel dit in het convenant, niet achteraf.
Wat gebeurt er met het vermogen: gemeenschap of huwelijkse voorwaarden?
Bent u op of na 1 januari 2018 getrouwd zonder huwelijkse voorwaarden, dan geldt de beperkte gemeenschap van goederen: wat ieder vóór het huwelijk had, en wat tijdens het huwelijk uit erfenis of gift is verkregen, blijft in beginsel privé. Bent u eerder getrouwd zonder voorwaarden, dan gold de algehele gemeenschap. Dat verschil bepaalt in veel dossiers de uitkomst.
Artikel 1:94 lid 2 BW omschrijft de huidige gemeenschap: zij omvat alle goederen die vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle overige goederen die vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding zijn verkregen — met uitzondering van onder meer goederen verkregen "krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift" en van pensioenrechten waarop de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is.
Voor de praktijk zijn drie punten van belang:
- Wat gemeenschappelijk was, blijft gemeenschappelijk. Kocht u samen een huis vóór het huwelijk, dan valt dat ook onder de beperkte gemeenschap.
- Erfenissen en giften blijven privé, tenzij bij testament of bij de gift anders is bepaald (artikel 1:94 lid 3 en 4 BW). Een uitsluitingsclausule in een testament werkt door.
- Wie iets als privé claimt, moet dat kunnen bewijzen. Artikel 1:94 lid 8 BW: bestaat er een geschil over de vraag aan wie een goed toebehoort en kan geen van beiden zijn recht bewijzen, "dan wordt dit goed als gemeenschapsgoed aangemerkt". Dat maakt uw administratie een juridisch instrument: een erfenis die op de gezamenlijke rekening is bijgeschreven en daar met alles is vermengd, is achteraf nauwelijks nog te traceren.
Het ontbindingsmoment is niet de datum van de scheiding. Artikel 1:99 lid 1 sub b BW: bij echtscheiding wordt de gemeenschap van rechtswege ontbonden "op het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding". Wat ná die indiening wordt verdiend of gekocht, valt er dus buiten. Dat is een van de weinige momenten in een scheiding waarop timing juridisch daadwerkelijk uitmaakt.
Bij huwelijkse voorwaarden gaat het niet om verdelen maar om afwikkelen. Huwelijkse voorwaarden moeten op grond van artikel 1:115 lid 1 BW op straffe van nietigheid bij notariële akte zijn aangegaan. De kernvraag is wat die akte precies bepaalt en of daar in de praktijk uitvoering aan is gegeven. De klassieke valkuil is het periodiek verrekenbeding — de afspraak om jaarlijks het overgespaarde inkomen te verrekenen — dat gedurende het hele huwelijk niet is nageleefd. De gevolgen daarvan kunnen ingrijpend zijn en kunnen ertoe leiden dat er alsnog moet worden verrekend alsof er wél was gespaard. Laat de akte lezen vóórdat u afspraken maakt, niet erna.
Ook nuttig: samen met het echtscheidingsverzoek kan al een vordering tot verdeling worden ingesteld (artikel 1:99 lid 4 BW), en de rechter kan de verdeling of de verrekening als nevenvoorziening vaststellen (artikel 827 lid 1 sub b Rv).
Wat gebeurt er met het pensioen bij een scheiding?
Het ouderdomspensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd, wordt in beginsel gelijk verdeeld: de ex-partner heeft recht op de helft daarvan. Meldt u de scheiding binnen twee jaar bij de pensioenuitvoerder, dan betaalt die het deel rechtstreeks aan de ex-partner uit. De basis is de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps).
Artikel 2 lid 1 Wvps: bij scheiding heeft de andere echtgenoot recht op pensioenverevening voor zover de ene echtgenoot "na de huwelijkssluiting en voor de scheiding pensioenaanspraken heeft opgebouwd", tenzij de echtgenoten de wet hebben uitgesloten bij huwelijkse voorwaarden of bij een schriftelijke overeenkomst met het oog op de scheiding. Artikel 3 lid 1 Wvps bepaalt dat het te vereven deel "de helft" bedraagt van het pensioen dat zou moeten worden uitbetaald als er uitsluitend tijdens de huwelijkse deelnemingsjaren was deelgenomen.
De tweejaarstermijn is het punt waar het in de praktijk misgaat. Artikel 2 lid 2 Wvps laat een recht op rechtstreekse uitbetaling door de pensioenuitvoerder alleen ontstaan "mits binnen twee jaar na het tijdstip van scheiding" daarvan mededeling is gedaan aan het uitvoeringsorgaan, met een door de minister vastgesteld formulier. Bent u te laat, dan bent u uw recht niet kwijt — artikel 2 lid 6 Wvps geeft dan een recht op uitbetaling jegens de ex-partner zelf — maar u moet het voortaan bij hem of haar innen, jaar na jaar, decennialang. Dat is aanzienlijk minder comfortabel dan een rechtstreekse betaling door het pensioenfonds.
Wat u kunt afspreken:
| Keuze | Wat het betekent | Grondslag |
|---|---|---|
| Standaardverevening | de helft van het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen, uitbetaald wanneer de ander met pensioen gaat | artikelen 2 en 3 Wvps |
| Ander percentage of andere periode | u kiest zelf een vast percentage of wijzigt de te verevenen periode | artikel 4 lid 1 Wvps |
| Conversie | de ex-partner krijgt een eigen, zelfstandig recht op pensioen in plaats van een recht op uitbetaling; dit vereist instemming van de pensioenuitvoerder | artikel 5 Wvps |
| Uitsluiting | u vereffent helemaal niet | artikel 2 lid 1 Wvps |
Ook voor de afwijkende afspraken van artikel 4 en 5 Wvps geldt dat een gewaarmerkt afschrift binnen twee jaar bij de uitvoerder moet liggen; anders kan de afspraak niet aan de uitvoerder worden tegengeworpen — zelfs niet als zij in het huwelijksgoederenregister was ingeschreven.
Drie praktische aandachtspunten. Kleine pensioenen worden niet verevend: artikel 3 lid 3 Wvps sluit verevening uit als het te verdelen deel de afkoopgrens van artikel 66 lid 1 Pensioenwet niet te boven gaat. Conversie is onomkeerbaar en heeft een prijs: bij een eigen recht loopt uw uitkering niet meer mee met het leven van uw ex-partner, wat gunstig kan zijn — maar u geeft daarmee ook het bijzonder partnerpensioen op dat aan het oorspronkelijke recht hangt. Laat dit doorrekenen voordat u kiest. En verevening is niet hetzelfde als nabestaandenpensioen: dat laatste loopt langs een eigen spoor, het bijzonder partnerpensioen van artikel 57 Pensioenwet, dat de ex-partner in beginsel behoudt. Vraag beide onderdelen apart bij de uitvoerder op.
Ten slotte: er is al jaren een wetsvoorstel aanhangig dat dit stelsel wil vervangen (Wet pensioenverdeling bij scheiding). Dat voorstel is niet in werking getreden; geldend recht is en blijft de Wvps. Laat u dus niet leiden door uitleg die op het nieuwe stelsel vooruitloopt.
Scheiden zonder te trouwen: samenwoners en het geregistreerd partnerschap
Een geregistreerd partnerschap zónder gezamenlijke minderjarige kinderen kunt u met wederzijds goedvinden beëindigen zonder rechter; zijn er wel kinderen over wie u gezag uitoefent, dan moet u net als gehuwden naar de rechtbank. Voor ongehuwd samenwoners bestaat geen beëindigingsprocedure — maar wel een reeks verplichtingen die zij vaak over het hoofd zien.
Geregistreerd partnerschap. Artikel 1:80c lid 1 sub c BW laat beëindiging toe door inschrijving van een door beide partners "en een of meer advocaten of notarissen ondertekende en gedateerde verklaring" waaruit blijkt dat zij een beëindigingsovereenkomst hebben gesloten. Er komt dus geen rechter aan te pas, maar wél een advocaat of notaris. Het gerechtshof Amsterdam lichtte toe waarom die medeondertekening er staat: "ter waarborging van de volledigheid, juridische juistheid en juiste datering van de overeenkomst" (ECLI:NL:GHAMS:2011:BV3506).
De uitzondering staat in artikel 1:80c lid 3 BW: beëindiging met wederzijds goedvinden is uitgesloten als de partners "al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen over een of meer van hun gezamenlijke kinderen". Met kinderen onder gezag is de gang naar de rechter dus verplicht.
Let op de termijn: de verklaring moet uiterlijk drie maanden na het sluiten van de overeenkomst worden ingeschreven. Artikel 1:80d lid 1 BW schrijft voor wat er ten minste in de beëindigingsovereenkomst moet staan: de verklaring van beide partners dat hun partnerschap duurzaam ontwricht is en dat zij het willen beëindigen. Daarnaast — uitdrukkelijk niet op straffe van nietigheid — de partneralimentatie, de vraag wie de woning krijgt of huurt, de verdeling of verrekening van het vermogen, en de verevening of verrekening van pensioenrechten. De partneralimentatieregeling van artikel 1:157 BW is via artikel 1:80d lid 2 BW van overeenkomstige toepassing: dezelfde duur, dezelfde uitzonderingen.
Ongehuwd samenwonen. Hier is er niets te ontbinden, en juist dat maakt het riskant. Er is geen gemeenschap, geen wettelijke alimentatieplicht tussen de partners onderling, en geen pensioenverevening. Wat er wél is:
- Kinderalimentatie. Die staat volledig los van uw burgerlijke staat: de plicht van artikel 1:404 BW geldt voor alle ouders.
- Een ouderschapsplan, als u het gezag gezamenlijk uitoefent (artikel 1:247a BW).
- Gezag. Bij erkenningen die zijn gedaan op of na 1 januari 2023 ontstaat dat in beginsel van rechtswege (artikel 1:251b BW); is er vóór die datum erkend, dan moet het gezag apart geregeld zijn.
- De gezamenlijke woning en investeringen daarin. Is de woning van u samen, dan geldt de gewone regeling van de eenvoudige gemeenschap. Heeft de één geïnvesteerd in de woning van de ander, dan kan er een vergoedingsrecht bestaan; de Hoge Raad heeft de kaders daarvoor gegeven in zijn arrest van 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707, dat in de rechtspraak over voormalig samenwoners standaard wordt toegepast. De grondslagen zijn dan een uitdrukkelijke of stilzwijgende afspraak, onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking — geen van drieën is eenvoudig te bewijzen.
- Medehuurderschap. Anders dan bij gehuwden ontstaat dat niet automatisch; artikel 7:267 BW kent een aparte procedure voor de samenwoner die medehuurder wil worden.
De les: een samenlevingscontract is voor samenwoners geen formaliteit maar de enige plek waar staat wat er bij uit elkaar gaan gebeurt. Zonder dat contract moet u achteraf bewijzen wat u ooit bedoelde — en de rechtspraak laat zien dat dat bewijs vaak niet te leveren is.
Internationaal scheiden: welke rechter, en welk recht?
Bij een huwelijk met een buitenlandse component zijn er twee losse vragen: welke rechter bevoegd is, en welk recht die rechter toepast. Het antwoord op de eerste vraag bepaalt niet het antwoord op de tweede. Dit is het onderwerp waar de meeste fouten worden gemaakt, en waar de gevolgen het grootst zijn — een echtscheiding die in het ene land geldig is maar in het andere niet erkend wordt, is een probleem dat jaren doorwerkt.
Bevoegdheid. Binnen de Europese Unie loopt dit sinds 1 augustus 2022 via Verordening (EU) 2019/1111, in de praktijk Brussel II-ter. De rechtbank Den Haag past die verordening standaard toe: hebben beide echtgenoten de Nederlandse nationaliteit, dan komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe "op grond van artikel 3 lid 1 sub b van de Verordening (EU) 2019/1111" (ECLI:NL:RBDHA:2024:15672). Daarnaast kent artikel 3 van die verordening een reeks bevoegdheidsgronden die aanknopen bij de gewone verblijfplaats van de echtgenoten.
Belangrijk is dat de verordening op dit punt exclusief is. De Nederlandse regels over rechtsmacht in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komen daarnaast niet voor toepassing in aanmerking, en Nederland kent geen residuele bevoegdheid (zie de conclusie ECLI:NL:PHR:2018:1432).
Toepasselijk recht. Daarvoor geldt artikel 10:56 BW. Lid 1 is de hoofdregel en is kort: "Of ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed kan worden uitgesproken en op welke gronden, wordt bepaald door het Nederlandse recht." Lid 2 laat een uitzondering toe: het recht van de staat van een gemeenschappelijke vreemde nationaliteit wordt toegepast als de echtgenoten daar samen voor kiezen, of als één van hen daarvoor kiest en die keuze onweersproken blijft, of als één van hen kiest en beiden een werkelijke maatschappelijke band met dat land hebben. De rechtskeuze moet volgens lid 3 uitdrukkelijk zijn gedaan of voldoende duidelijk blijken uit de bewoordingen van het verzoek- of verweerschrift.
Wat u in een internationale zaak apart moet regelen:
| Onderwerp | Waarom het eigen aandacht vraagt |
|---|---|
| Erkenning in het andere land | een in Nederland uitgesproken echtscheiding wordt niet overal automatisch erkend; controleer dit vóórdat u begint |
| Religieuze verbintenis | de rechter kan als nevenvoorziening een bevel geven mee te werken aan het teniet doen gaan van een naast het huwelijk bestaande religieuze of levensbeschouwelijke verbintenis (artikel 827 lid 1 sub e Rv) |
| Huwelijksvermogensregime | dat wordt door een eigen conflictregel bepaald en volgt niet automatisch het echtscheidingsrecht |
| Alimentatie | valt onder een eigen Europees regime — Verordening (EG) nr. 4/2009, van toepassing sinds 18 juni 2011 — met eigen bevoegdheids- en erkenningsregels |
| Kinderen | Brussel II-ter regelt ook de ouderlijke verantwoordelijkheid en internationale kinderontvoering |
| Vermogen in het buitenland | vergt afstemming met een lokale adviseur; een Nederlandse beschikking is daar niet zonder meer uitvoerbaar |
Wie het eerst is, kiest vaak het speelveld. Zijn er meerdere landen bevoegd, dan bepaalt in de regel het eerst aangebrachte verzoek waar de zaak wordt behandeld — en dat kan grote materiële verschillen opleveren in alimentatie en vermogensverdeling. Speelt uw zaak in twee landen, laat dan meteen beoordelen waar u het best kunt beginnen. Wachten kost hier rechtstreeks geld.
Onze sectie familierecht behandelt regelmatig zaken met een Turkse of Poolse component. Wij voeren die gesprekken in het Turks en het Pools, wat schelen kan wanneer het over documenten uit het land van herkomst gaat.
Wat kost een echtscheidingsadvocaat, en kan het via gefinancierde rechtsbijstand?
De kosten hangen vooral af van of u het samen eens bent: een gemeenschappelijk verzoek met één advocaat is in de regel het goedkoopst, terwijl een zaak waarin over gezag, alimentatie en vermogen wordt geprocedeerd veelvouden daarvan kan kosten. Wie een laag inkomen en weinig vermogen heeft, kan in aanmerking komen voor gefinancierde rechtsbijstand — een toevoeging — met een eigen bijdrage.
De toevoeging wordt verstrekt door de Raad voor Rechtsbijstand op grond van de Wet op de rechtsbijstand. Getoetst worden uw inkomen en vermogen, in beginsel over een peiljaar dat twee jaar vóór het jaar van de aanvraag ligt. Is uw inkomen sindsdien sterk gedaald — wat bij een scheiding heel gewoon is — dan kunt u vragen om een ander peiljaar te hanteren. Daarnaast betaalt u zelf griffierecht.
Wij noemen hier geen bedragen. De inkomens- en vermogensgrenzen en de eigen bijdragen worden periodiek geïndexeerd, en een bedrag dat u elders leest, is vrijwel altijd van een eerder jaar. De actuele grenzen en bijdragen publiceert de Raad voor Rechtsbijstand zelf; laat uw situatie daaraan toetsen voordat u ergens aan begint. Bron: Raad voor Rechtsbijstand.
Wat de kosten in uw zaak feitelijk bepaalt:
| Kostendrijver | Toelichting |
|---|---|
| Eén advocaat of twee | een gemeenschappelijk verzoek halveert het aantal betrokken professionals |
| Aantal geschilpunten | elk punt waarover de rechter moet beslissen kost een ronde stukken en vaak een zitting |
| Onderneming of eigen zaak | waardering vergt een deskundige en verlengt het traject |
| Onroerend goed en buitenlands vermogen | taxaties, notariskosten, soms een lokale adviseur |
| Onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming | verlengt de zaak met maanden |
| Hoger beroep | een volledige extra instantie |
Het goedkoopste dossier is het dossier dat aan de voorkant goed is opgezet. Wij zien regelmatig zaken die duur zijn geworden doordat er in de eerste weken geen keuze werd gemaakt tussen samen of apart, of doordat een convenant is getekend dat de belangrijkste onderwerpen niet regelde. Bij ons kunt u uw situatie kosteloos laten beoordelen voordat u een advocaat inschakelt: wij vertellen u wat er in uw geval moet gebeuren en welke route daar het best bij past.
Waar gaat het in de praktijk mis? Tien veelgemaakte fouten
De meeste schade in een echtscheidingsdossier wordt niet aangericht door de rechter of door de ex-partner, maar door beslissingen die mensen in de eerste maanden zelf nemen — vaak uit de wens dat het snel voorbij is.
- De inschrijving vergeten. Wordt de beschikking niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden ingeschreven, dan verliest zij haar kracht (artikel 1:163 lid 3 BW) en bent u nog getrouwd.
- De tweejaarstermijn voor het pensioen missen. Daarna moet u het bij uw ex-partner innen in plaats van bij het fonds (artikel 2 lid 2 Wvps).
- Een vaag ouderschapsplan. "In onderling overleg" werkt precies zolang als het overleg werkt.
- Afspreken dat er geen kinderalimentatie wordt betaald. Zo'n afspraak is nietig (artikel 1:400 lid 2 BW) en kan later worden opengebroken.
- De hardheidsclausule te laat inroepen. Een verzoek op grond van artikel 1:157 lid 7 BW moet binnen drie maanden na de beëindiging van de uitkering zijn ingediend.
- De woning toedelen zonder ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Tegenover de bank blijft u dan gewoon aansprakelijk voor de hele lening.
- Privévermogen niet kunnen aantonen. Wat vermengd is en niet meer te herleiden, wordt op grond van artikel 1:94 lid 8 BW als gemeenschapsgoed aangemerkt.
- Eenzijdig stoppen met betalen. Dat lost niets op: de achterstand blijft opeisbaar en de inning kan worden overgenomen, met kosten. Vraag wijziging aan op grond van artikel 1:401 BW.
- Tekenen zonder de huwelijkse voorwaarden te laten lezen. Een niet-nageleefd periodiek verrekenbeding kan de hele verdeling omgooien.
- Denken dat het kind zijn eigen keuze maakt. Een kind wordt gehoord en zijn mening weegt mee, maar het draagt niet de beslissing — en het kind in die positie manoeuvreren is schadelijk.
Hoe kiest u een echtscheidingsadvocaat?
Zoek geen "beste" advocaat maar de advocaat die past bij het soort zaak dat u heeft: een geregelde scheiding vraagt iemand die snel en zorgvuldig papierwerk oplevert, een vastgelopen gezagszaak vraagt iemand die procedeert. Dat zijn niet altijd dezelfde eigenschappen.
Waar u op kunt letten:
| Signaal | Waarom het telt |
|---|---|
| Doet familierecht als hoofdmoot | alimentatieberekeningen en gezagsprocedures vragen routine |
| Is duidelijk over de route | samen of apart, en waarom, in het eerste gesprek |
| Geeft de zwakke punten van uw zaak | een advocaat die u alleen gelijk geeft, bereidt u niet voor |
| Rekent voor in plaats van te schatten | behoefte en draagkracht zijn te berekenen, niet aan te voelen |
| Kent de gevolgen buiten het recht | hypotheek, toeslagen, pensioen en fiscaliteit lopen door elkaar |
| Spreekt uw taal | bij documenten uit het buitenland scheelt dat rechtstreeks tijd en geld |
Wanneer u sowieso deskundige bijstand nodig heeft: als er onenigheid is over het gezag of de hoofdverblijfplaats; als er een onderneming, een eigen woning of buitenlands vermogen in het spel is; als er huwelijkse voorwaarden zijn die niet zijn nageleefd; als er sprake is van een internationale component; als u een convenant voorgelegd krijgt dat u niet volledig begrijpt; en altijd wanneer er druk op u wordt uitgeoefend om snel te tekenen.
*Lees ook: huurrecht — over uw positie als huurder, bijvoorbeeld wanneer de huurwoning bij de scheiding aan één van u wordt toegewezen. En, als u door de scheiding in financiële problemen dreigt te komen: BKR-registratie verwijderen.*
Over dit advies
Arslan & Arslan Advocaten behandelt echtscheidingen, alimentatiezaken en gezagsprocedures vanuit kantoren in Den Haag, Rotterdam, Amsterdam, Utrecht, Tilburg en Eindhoven. Wij beoordelen uw situatie kosteloos, begeleiden zowel gemeenschappelijke verzoeken als zaken waarin geprocedeerd moet worden, en toetsen of u in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand. Naast Nederlands spreken wij Turks en Pools.
**Bel [070 450 0300](tel:+31704500300) of stuur ons uw vraag via het contactformulier.** Wij laten u weten waar u staat en wat de volgende stap is.
Deze pagina geeft algemene informatie en is geen juridisch advies over uw eigen zaak. Aan de genoemde uitgangspunten kunnen geen rechten worden ontleend.