Voordat u een verzekering sluit, moet u de verzekeraar informeren over alles wat voor zijn beoordeling van het risico van belang kan zijn. Dat is de mededelingsplicht van artikel 7:928 BW. Maar die plicht is een stuk begrensder dan verzekeraars in afwijzingsbrieven doen voorkomen — en de verzekeraar is aan strakke termijnen gebonden. Hieronder staat precies wat u moet melden, wat u níét hoeft te melden, en wat er gebeurt als er iets misgaat.
Geschreven door Onur Arslan, advocaat bij Arslan Advocaten. Ingeschreven in het rechtsgebiedenregister van de Nederlandse orde van advocaten voor arbeidsrecht en letselschade. Laatst bijgewerkt: 17 september 2026.
Wat de mededelingsplicht inhoudt
Artikel 7:928 lid 1 BW verplicht de verzekeringnemer om vóór het sluiten van de overeenkomst alle feiten mee te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan hij weet of behoort te begrijpen dat de beslissing van de verzekeraar daarvan afhangt of kan afhangen: of hij verzekert, en zo ja, tegen welke voorwaarden.
Twee dingen om meteen vast te houden. Het gaat om de periode vóór het sluiten — juristen noemen dit de precontractuele mededelingsplicht. En het gaat om feiten die relevant zijn voor de risicobeoordeling, niet om alles wat u toevallig weet.
Wat u niet hoeft te melden
De wet bevat vier begrenzingen die in de praktijk het verschil maken.
- Wat de verzekeraar al weet of behoort te weten (art. 7:928 lid 4 BW). Kon hij het uit zijn eigen systemen of uit de Stichting CIS halen, dan kan hij u niet verwijten dat u het niet meldde. Let op de keerzijde in hetzelfde lid: op “u wist het toch al” kunt u zich niet beroepen als u op een gerichte vraag een onjuist of onvolledig antwoord heeft gegeven.
- Feiten die niet tot een ongunstiger beslissing zouden hebben geleid (art. 7:928 lid 4 BW). Als het antwoord niets aan premie of voorwaarden had veranderd, is er niets aan de hand.
- Uw strafrechtelijk verleden van langer dan acht jaar geleden (art. 7:928 lid 5 BW). U hoeft alleen feiten te melden die zich hebben voorgedaan binnen de acht jaren vóór het sluiten van de verzekering, en alleen als de verzekeraar daar uitdrukkelijk naar heeft gevraagd “in niet voor misverstand vatbare termen”. Een vage vraag naar “uw verleden” is daarvoor niet genoeg.
- Medische gegevens waarnaar niet gevraagd mag worden. In de gevallen van de Wet op de medische keuringen mag de verzekeraar geen onderzoek verrichten en geen vragen stellen; die feiten vallen buiten de mededelingsplicht (art. 7:928 lid 4 BW, slot).
De vragenlijst beschermt u — sterker dan u denkt
Bijna elke verzekering wordt gesloten op basis van een door de verzekeraar opgestelde vragenlijst. Dan geldt artikel 7:928 lid 6 BW, en dat is een krachtige bepaling. De verzekeraar kan zich er dan niet op beroepen dat:
- vragen niet zijn beantwoord;
- feiten waarnaar niet was gevraagd, niet zijn meegedeeld;
- een in algemene termen vervatte vraag onvolledig is beantwoord.
Daarop bestaat één uitzondering: als u heeft gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden. Buiten dat geval is de omvang van uw plicht in de praktijk dus grotendeels bepaald door de vragen die de verzekeraar zélf heeft gesteld. De “spontane” mededelingsplicht — uit eigen beweging melden wat niet is gevraagd — bestaat wel, maar wordt door lid 6 sterk teruggedrongen zodra er een vragenlijst is. Verzekeraars die zich op verzwijging beroepen, gaan hier regelmatig te ruim in zitten.
Is een vraag voor meer dan één uitleg vatbaar, dan werkt dat doorgaans in uw voordeel: onduidelijke bedingen en vragen worden bij consumenten uitgelegd in het voordeel van de wederpartij van de opsteller.
De verzekeraar heeft twee maanden — en dat is hard
Ontdekt de verzekeraar dat de mededelingsplicht niet is nagekomen, dan kan hij de gevolgen daarvan alleen inroepen als hij u binnen twee maanden na de ontdekking op de niet-nakoming wijst, onder vermelding van de mogelijke gevolgen (art. 7:929 lid 1 BW). Doet hij dat niet of te laat, dan vervalt zijn beroep.
Opzeggen met dadelijke ingang mag hij ook binnen twee maanden na ontdekking, maar alleen in twee gevallen (art. 7:929 lid 2 BW): u handelde met het opzet hem te misleiden, óf hij zou bij kennis van de ware stand van zaken helemaal geen verzekering hebben gesloten. In alle andere gevallen blijft de polis staan.
Andersom heeft u hetzelfde recht: u mag de overeenkomst met dadelijke ingang opzeggen binnen twee maanden nadat de verzekeraar u op de niet-nakoming heeft gewezen of zich daarop beroept (art. 7:929 lid 3 BW).
Eén misverstand om de wereld uit te helpen: er bestaat geen algemene regel dat de verzekeraar na vijf jaar zijn rechten verliest. De enige vaste periode die de wet noemt, is de achtjaarsgrens voor het strafrechtelijk verleden in artikel 7:928 lid 5 BW. Verder draait alles om de tweemaandstermijn van artikel 7:929 BW, gerekend vanaf de ontdekking.
Wat het betekent voor uw uitkering
Artikel 7:930 BW werkt vier situaties uit. Deze volgorde is het hart van elke discussie over verzwijging.
| Situatie | Gevolg voor de uitkering |
|---|---|
| Het verzwegen feit is niet van belang voor de beoordeling van het risico zoals dat zich heeft verwezenlijkt (lid 2) | Volledige uitkering, onverkort |
| De verzekeraar zou een hogere premie hebben bedongen of een lager bedrag hebben verzekerd (lid 3) | Evenredige vermindering, naar de verhouding tussen betaalde en verschuldigde premie of verzekerde som |
| De verzekeraar zou andere voorwaarden hebben gesteld (lid 3) | Uitkering alsof die voorwaarden in de polis stonden |
| De verzekeraar zou helemaal niet hebben verzekerd (lid 4) | Geen uitkering. Handelde u te goeder trouw, dan bent u ook geen premie verschuldigd; de verzekeraar heeft recht op een billijke vergoeding van zijn kosten |
| Opzet tot misleiding (lid 5) | Geen uitkering |
De bewijslast dat hij bij kennis van de ware stand van zaken anders zou hebben gehandeld, ligt bij de verzekeraar. Hij moet dat onderbouwen aan de hand van zijn eigen, destijds geldende acceptatiebeleid — niet met een algemene stelling achteraf. Op dat punt sneuvelen in de praktijk veel afwijzingen.
Geen omweg via dwaling
Artikel 7:931 BW sluit uit dat de verzekeraar zich beroept op dwaling (art. 6:228 BW) of op misbruik van omstandigheden (art. 3:44 lid 3 BW). De regeling van de artikelen 928 tot en met 930 is dus uitputtend: de verzekeraar kan niet om de tweemaandstermijn of om de proportionele regeling heen door de overeenkomst langs een andere weg te vernietigen.
Als de tussenpersoon het formulier invulde
Hier ligt het genuanceerder dan vaak wordt beweerd. In beginsel blijft u als verzekeringnemer verantwoordelijk voor de juistheid van de antwoorden, ook als een adviseur het formulier heeft ingevuld: die treedt dan op als úw hulppersoon. Maar er zijn twee routes die de uitkomst kunnen kantelen:
- De tussenpersoon trad op namens de verzekeraar, bijvoorbeeld als gevolmachtigd agent. Dan wordt zijn kennis aan de verzekeraar toegerekend en gaat het om feiten die de verzekeraar “behoorde te kennen” (art. 7:928 lid 4 BW).
- De adviseur schoot tekort in zijn zorgplicht jegens u, bijvoorbeeld door u niet te wijzen op het belang van een vraag of door uw antwoord onjuist te noteren. Dat neemt de verzwijging tegenover de verzekeraar niet weg, maar het kan wel een zelfstandige aansprakelijkheid van de adviseur opleveren voor uw schade.
Niet verwarren met de meldplicht tijdens de looptijd
De mededelingsplicht van artikel 7:928 BW ziet uitsluitend op de periode vóór het sluiten. Veel polissen bevatten daarnaast een risicowijzigingsclausule: de plicht om tijdens de looptijd wijzigingen te melden, zoals een verbouwing, een ander gebruik van het pand of een beroepswisseling bij een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Dat is een contractuele verplichting, die aan de hand van de polisvoorwaarden wordt beoordeeld — met andere regels en andere gevolgen. Weer iets anders is de meldplicht ná een schadegeval (art. 7:941 BW).
Wat u zelf kunt doen
- Bewaar bij elke aanvraag een kopie van het ingevulde formulier en van de vragen zoals ze aan u werden voorgelegd. Zonder die tekst is achteraf niet vast te stellen wat er precies is gevraagd.
- Beantwoord gerichte vragen volledig; op een gerichte vraag helpt “dat wist u toch al” u niet.
- Twijfelt u of iets relevant is, meld het dan en vraag schriftelijk om bevestiging van de acceptatie.
- Krijgt u een brief over verzwijging: noteer wanneer de verzekeraar het ontdekte. De tweemaandstermijn van artikel 7:929 lid 1 BW loopt vanaf dat moment, niet vanaf de schadedatum.
- Controleer of de verzekeraar heeft onderbouwd wat hij met de juiste informatie zou hebben gedaan. Zonder die onderbouwing is er geen grond voor het weigeren van de hele uitkering.
Veelgestelde vragen
Moet ik mijn strafrechtelijk verleden melden?
Alleen feiten die zich hebben voorgedaan binnen de acht jaren vóór het sluiten van de verzekering, en alleen als de verzekeraar daar uitdrukkelijk en ondubbelzinnig naar heeft gevraagd (art. 7:928 lid 5 BW). Oudere feiten en vage vragen vallen buiten de mededelingsplicht.
Verliest de verzekeraar zijn rechten na vijf jaar?
Nee, zo’n algemene vijfjaarsregel bestaat niet in het Nederlandse verzekeringsrecht. Wat wel geldt, is de tweemaandstermijn van artikel 7:929 BW, te rekenen vanaf de ontdekking van de niet-nakoming, en de achtjaarsgrens van artikel 7:928 lid 5 BW voor het strafrechtelijk verleden.
Moet ik ook melden waar niet naar is gevraagd?
Is de verzekering gesloten op basis van een vragenlijst, dan kan de verzekeraar zich er niet op beroepen dat u feiten waarnaar niet was gevraagd niet heeft gemeld — tenzij u hem opzettelijk wilde misleiden (art. 7:928 lid 6 BW). In de praktijk bepaalt de vragenlijst daarmee grotendeels de omvang van uw plicht.
Mag de verzekeraar meteen alles weigeren?
Alleen als er opzet tot misleiding was, of als hij bij kennis van de juiste gegevens helemaal geen verzekering zou hebben gesloten (art. 7:930 leden 4 en 5 BW). In de overige gevallen geldt een evenredige vermindering of wordt uitgekeerd alsof de andere voorwaarden in de polis stonden (lid 3), en soms zelfs volledig (lid 2).
Wat als de tussenpersoon een fout maakte?
Trad hij op namens de verzekeraar, dan wordt zijn kennis aan de verzekeraar toegerekend. Trad hij op als uw adviseur, dan blijft u in beginsel verantwoordelijk tegenover de verzekeraar, maar kan de adviseur aansprakelijk zijn voor uw schade wegens schending van zijn zorgplicht.
Lees ook
- Claim afgewezen wegens verzwijging — wat kunt u doen?
- De verzekeraar beschuldigt u van fraude
- Wanneer mag een verzekeraar uitkeren weigeren?
- Bezwaar tegen verzekeraar
Hulp nodig?
Beroept uw verzekeraar zich op verzwijging? Laat controleren of de tweemaandstermijn is gehaald, of de vraag wel duidelijk genoeg was en of het acceptatiebeleid is onderbouwd. Onze verzekeringsrechtadvocaten beoordelen uw dossier. Neem contact op.



