Wie bij een ouder of grootouder woont, wordt niet automatisch huurder wanneer die persoon overlijdt. In een arrest van 8 september 2026 wees het gerechtshof Den Haag de huurvoortzetting door een kleinzoon af. Hij had onvoldoende onderbouwd dat hij met zijn grootmoeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde. Inschrijving en een familieband waren daarvoor niet genoeg.
Na een overlijden komt de vraag over de woning vaak op een moeilijk moment. U moet praktische zaken regelen, terwijl de verhuurder vraagt wanneer u vertrekt. Juist dan is het belangrijk uw eigen juridische positie vast te stellen. Bent u al medehuurder, echtgenoot of geregistreerd partner, of bent u een inwonende huisgenoot die huurvoortzetting moet vorderen? Die situaties mogen niet door elkaar worden gehaald.
Bespreking door Onur Arslan, advocaat bij Arslan Advocaten. De besproken uitspraak wordt niet gepresenteerd als een door ons kantoor behandelde zaak.
Wat vroeg de kleinzoon aan de rechter?
De kleinzoon wilde na het overlijden van zijn grootmoeder in de huurwoning blijven. Hij beriep zich op de wettelijke regeling voor een huisgenoot die met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad. De verhuurder betwistte dat aan de voorwaarden was voldaan.
Het hof hield de afwijzing van de vordering in stand. De centrale les is niet dat een kleinkind nooit de huur kan voortzetten, maar dat de juridische voorwaarden met concrete feiten moeten worden onderbouwd. Hoe lang iemand ingeschreven staat, vertelt nog niet hoe de betrokkenen hun dagelijks leven hebben ingericht.
Het gaat om ECLI:NL:GHDHA:2026:2844, gerechtshof Den Haag, uitspraak van 8 september 2026 en publicatie van 15 september 2026. De zaak betreft voortzetting op grond van artikel 7:268 BW, niet de regel dat een reeds bestaande medehuurder altijd een nieuwe toestemming van de verhuurder zou moeten krijgen.
Waarom zijn hoofdverblijf en gezamenlijk huishouden verschillende eisen?
Hoofdverblijf gaat over de plek waar het zwaartepunt van uw wonen ligt. Een gezamenlijke huishouding gaat over de manier waarop u met de huurder samenleefde. Iemand kan daadwerkelijk in een woning wonen en daar toch voornamelijk een eigen leven leiden. Omgekeerd bewijst veelvuldig bezoek of intensieve zorg nog niet dat de woning ook het hoofdverblijf van de bezoeker was.
De duurzaamheid ziet op de bestendigheid van de huishouding. Bij familieleden wordt daarom gekeken naar meer dan het feit dat zij aan elkaar verwant zijn of tijdelijk ondersteuning nodig hebben. Van belang kunnen zijn de aanleiding voor het samenwonen, de duur, de toekomstverwachting en de concrete inrichting van het gezamenlijke leven.
De wettelijke toets is geen wedstrijd wie de meeste boodschappenbonnen kan overleggen. Het gaat om een samenhangend feitenbeeld. Een bijdrage kan financieel zijn, maar ook bestaan uit huishoudelijke taken en andere vormen van wederkerige betrokkenheid. Een eenvoudige regel dat iedere inwoner precies de helft van de kosten moet betalen, zou te ver gaan.
Mantelzorg is belangrijk, maar niet automatisch beslissend
Wanneer u boodschappen deed, afspraken regelde en dagelijks zorg verleende, kan dat veel zeggen over de intensiteit van het contact. Toch moet worden uitgelegd hoe die zorg zich verhield tot het gezamenlijke huishouden. Was er vooral een zorgrelatie, of hadden beide personen hun leven duurzaam samen ingericht?
Dat onderscheid is gevoelig, maar juridisch relevant. Een rechter ontkent met een afwijzing niet dat de zorg waardevol was. Hij beoordeelt een specifieke wettelijke aanspraak op huurvoortzetting. Beschrijf daarom zowel de zorg als het gewone dagelijkse leven: eten, kosten, taken, administratie, gebruik van de woning en gemaakte afspraken.
Op arslan.nl staat ook een andere uitspraak over een zoon die de huur van zijn moeder wilde voortzetten. Die zaak mag niet als dezelfde casus worden aangehaald. De vergelijking laat juist zien waarom de feitelijke huishouding steeds afzonderlijk moet worden onderzocht.
Welke stukken helpen bij het bewijs?
Bewijs uit de periode vóór het overlijden is meestal essentieel om de gezamenlijke situatie te reconstrueren. Een nieuwe energierekening op uw naam kan aantonen dat u na het overlijden lasten draagt, maar zegt op zichzelf weinig over hoe u daarvoor samenleefde. Zet de verschillende periodes daarom uitdrukkelijk uit elkaar.
- Verzamel gegevens over het wonen: inschrijving, adresgebonden correspondentie en de feitelijke inrichting van uw verblijf.
- Maak een overzicht van de verdeling van huur, energie, boodschappen en andere huishoudkosten.
- Beschrijf vaste gezamenlijke activiteiten en de verdeling van dagelijkse taken.
- Bewaar berichten of afspraken over de reden en beoogde duur van het samenwonen.
- Vraag mogelijke getuigen uitsluitend te verklaren over wat zij zelf hebben gezien of gehoord, met een herkenbare periode.
Een verklaring ‘zij woonden altijd samen’ is minder bruikbaar dan een concrete beschrijving van frequente waarnemingen. Laat getuigen niet dezelfde ingestudeerde tekst ondertekenen en vul geen ontbrekende feiten aan. Tegenstrijdigheden over de woonsituatie of de relevante periode moeten vooraf worden onderzocht, niet pas tijdens de zitting.
De zesmaandentermijn: een verzoek aan de verhuurder is niet hetzelfde als procederen
Artikel 7:268 lid 2 BW kent voor de bedoelde huisgenoot een termijn van zes maanden na het overlijden waarbinnen huurvoortzetting bij de rechter moet worden gevorderd. Die wettelijke termijn verdient directe aandacht. Alleen contact opnemen met de verhuurder of onderhandelen over een oplossing stelt niet zonder meer een rechterlijke procedure veilig.
De precieze positie tijdens een procedure en de gevolgen van een afwijzing hangen af van de toepasselijke regeling en de beslissing. Een verzoek van de verhuurder om te vertrekken is niet hetzelfde als een uitvoerbare rechterlijke ontruimingsbeslissing. Neem tegelijkertijd niet aan dat u zonder tijdige actie onbeperkt kunt blijven wonen.
De algemene uitleg over de verschillende categorieën bewoners en de wettelijke termijnen staat in wat gebeurt er met de huur als de huurder overlijdt?. Laat bij een naderende einddatum onmiddellijk beoordelen welke proceshandeling nodig is. Een onderhandelpoging kan nuttig zijn, maar mag de termijnbewaking niet vervangen.
Er zijn meer voorwaarden dan een gezamenlijke huishouding
Ook wanneer het hoofdverblijf en de duurzame gemeenschappelijke huishouding voldoende zijn onderbouwd, is de beoordeling niet noodzakelijk afgerond. De wet stelt aanvullende eisen, waaronder voldoende financiële waarborg voor nakoming van de huur en, waar een huisvestingsvergunning nodig is, de vereiste vergunning.
Bewaar daarom ook bewijs van uw inkomen en de relevante gemeentelijke correspondentie. Een mogelijk recht op een vergunning is niet hetzelfde als een verleende vergunning. Andersom kan het ontbreken van een document soms een praktisch punt zijn dat tijdig moet worden uitgezocht. Laat de voorwaarden samen beoordelen voordat u conclusies trekt uit één gunstige omstandigheid.
Praktische aanpak na het overlijden
Breng eerst het huurcontract en eventuele medehuurdersafspraken in kaart. Meld het overlijden zorgvuldig en maak duidelijk in welke hoedanigheid u aanspraak op voortzetting maakt. Betaal niet zonder uitleg bedragen die later onduidelijkheid oproepen over uw positie en laat vragen over de verschuldigde huur juridisch beoordelen.
Leg vervolgens een tijdlijn aan en vraag de verhuurder schriftelijk zijn standpunt te geven. Bij een afwijzing is vooral belangrijk welke voorwaarde wordt betwist. Wordt het wonen zelf ontkend, de duurzaamheid van het huishouden, de financiële draagkracht of de vergunning? Een gericht antwoord is sterker dan een algemene brief dat vertrekken onredelijk voelt.
Fictief voorbeeld. Een kleinzoon verbleef de laatste maanden veel bij zijn oma om haar na een operatie te helpen, maar hield zijn eigen woning en huishouding aan. Dat roept andere bewijsproblemen op dan een kleinzoon die al jarenlang zijn leven duurzaam met haar had ingericht. Geen van beide beschrijvingen geeft zonder verdere feiten automatisch de uitkomst van een procedure.
Veelgestelde vragen
Kan een kleinkind de huur van een grootouder nooit overnemen?
Dat volgt niet uit het arrest. De vordering werd afgewezen wegens de onderbouwing in deze concrete zaak. Of in een andere situatie aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, hangt af van de feitelijke huishouding en de overige eisen.
Is een inschrijving in de BRP genoeg?
Nee. Een inschrijving kan bewijs ondersteunen, maar toont niet zelfstandig een duurzame gemeenschappelijke huishouding aan. Ook het daadwerkelijk wonen en de manier van samenleven moeten worden onderzocht.
Moet ik aantonen dat ik de helft van alle lasten betaalde?
Er geldt geen algemene regel dat de kosten exact gelijk verdeeld moeten zijn. De rechter kijkt naar het geheel van de huishouding. Financiële bijdragen, taken en wederkerige betrokkenheid kunnen daarbij relevant zijn.
Kan ik eerst een halfjaar met de verhuurder onderhandelen?
Daarmee loopt u een groot termijnrisico. De zesmaandentermijn voor de bedoelde vordering bij de rechter moet afzonderlijk worden bewaakt. Laat bij twijfel direct beoordelen of procederen nodig is terwijl overleg nog loopt.
Hulp bij huurvoortzetting en dreigende ontruiming
Wilt u weten of u na het overlijden van een familielid kunt blijven wonen? Ons team huurrecht kan het contract, de huishouding, bewijsstukken en termijnen met u beoordelen. Neem via de contactpagina contact op en vermeld de overlijdensdatum en eventuele termijn uit een brief of dagvaarding. Een zaak wordt pas aangenomen nadat daarover afspraken zijn gemaakt.
Primaire bron: gerechtshof Den Haag, 8 september 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2844. De uitkomst is zaakgebonden; een latere rechtsmiddelprocedure is hier niet vastgesteld.


