Het gerechtshof Amsterdam bevestigde op 1 september 2026 de afwijzing van de vordering van een volwassen zoon om de huur van zijn overleden moeder voort te zetten. Doorslaggevend was dat niet bleek van een gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder. De kantonrechter had eerder al de ontruiming van de woning toegewezen.
Geschreven door Onur Arslan, advocaat bij Arslan Advocaten. Ingeschreven in het rechtsgebiedenregister van de Nederlandse orde van advocaten voor arbeidsrecht en letselschade. Laatst bijgewerkt: 29 september 2026. Algemene informatie is geen juridisch advies over uw eigen situatie.
Wat speelde er?
De moeder huurde samen met haar partner een woning. Die partner overleed in 2015. De moeder zelf overleed op 2 januari 2024. Haar zoon vroeg de verhuurder of hij de huur mocht voortzetten. De verhuurder weigerde.
De zoon stapte naar de kantonrechter op grond van artikel 7:268 lid 2 BW. Die bepaling geeft iemand die in de woning zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding had, onder voorwaarden recht op voortzetting. De zoon stelde dat hij sinds 2015 bij zijn moeder woonde en dat zij samen een huishouding voerden. Hij had haar de laatste jaren mantelzorg gegeven. De kantonrechter wees zijn vordering af en veroordeelde hem tot ontruiming. De zoon ging in hoger beroep.
Wat besliste de rechter?
Het hof stelde voorop dat een volwassen kind dat bij een ouder woont, alleen onder bijzondere omstandigheden een duurzame gemeenschappelijke huishouding met die ouder heeft. Daarbij kan het ontbreken van wederkerigheid meewegen. Wie voortzetting vordert, moet bovendien extra concreet stellen hoe het huishouden eruitzag (een verzwaarde stelplicht).
Over het hoofdverblijf had het hof twijfels. De zoon stond niet in de Basisregistratie Personen op het adres ingeschreven. Na het overlijden stond hij bij een uitkeringsaanvraag op een ander adres geregistreerd. Zijn stukken, zoals een energiecontract op zijn naam, foto’s van het interieur en betaalbewijzen uit de buurt, zagen allemaal op de periode na het overlijden van zijn moeder.
Beslissend was echter iets anders. Ook als het hoofdverblijf zou vaststaan, was er volgens het hof geen gemeenschappelijke huishouding. De moeder betaalde alle kosten van het huishouden en de zoon was financieel van haar afhankelijk. Een eenzijdige zorgrelatie, zoals mantelzorg, toont volgens het hof geen wederkerigheid en is op zichzelf onvoldoende. Dat moeder en zoon samen boodschappen deden en dat hij haar naar de kapper bracht, veranderde dat niet.
De verhuurder vroeg in hoger beroep ook om de ontruiming direct uitvoerbaar te verklaren. Dat wees het hof af. De wet gaat ervan uit dat de medebewoner de huur voortzet totdat onherroepelijk op zijn tijdige vordering is beslist. Het hof bekrachtigde het vonnis, met dien verstande dat de termijn van een maand voor ontruiming gaat lopen na betekening van het arrest.
Wat betekent deze uitspraak voor u?
De uitspraak laat zien dat samenwonen en zorgen voor een ouder niet vanzelf genoeg zijn om de huur over te nemen. Het gaat om een huishouden waarin beide personen iets bijdragen, bijvoorbeeld aan de kosten, het huishouden of het dagelijks leven. Bewijsstukken moeten over de periode vóór het overlijden gaan.
Dit is geen regel dat kinderen de huur van een ouder nooit kunnen voortzetten. Het hof beoordeelt alle omstandigheden in samenhang, en in een andere zaak kan de verdeling van kosten en taken er heel anders uitzien. Ook de positie van een partner of medehuurder is anders dan die van een kind.
Lees in ons artikel over wat er met de huur gebeurt als de huurder overlijdt welke regels gelden voor partners, medehuurders en kinderen, en hoe de termijn van zes maanden werkt.
Wat kunt u nu doen?
- Verzamel stukken uit de periode vóór het overlijden: inschrijving in de BRP, post op het adres, bankafschriften en verklaringen van buren.
- Leg vast hoe de kosten werden verdeeld: wie betaalde huur, energie en boodschappen, en wat droeg u zelf bij?
- Beschrijf concreet hoe het huishouden werkte, zoals samen koken en eten, taken verdelen en samen optrekken.
- Vraag de verhuurder schriftelijk om voortzetting en let op de termijn van zes maanden na het overlijden.
- Laat vóór een procedure beoordelen of uw verhaal en bewijs sterk genoeg zijn. Ons team huurrecht kan daarbij helpen.
Veelgestelde vragen
Is mantelzorg voor mijn ouder genoeg om de huur voort te zetten?
In deze zaak niet. Het hof noemde een eenzijdige zorgrelatie geen aanwijzing voor wederkerigheid en op zichzelf onvoldoende voor een gemeenschappelijke huishouding. Mantelzorg kan wel meewegen naast andere omstandigheden, zoals een gezamenlijke bijdrage aan de kosten.
Tellen bewijsstukken van na het overlijden mee?
In deze zaak zeiden ze weinig over de situatie daarvoor. Het hof wees erop dat de stukken van de zoon allemaal op de periode na het overlijden zagen. Stukken uit de tijd dat de ouder nog leefde, zijn daarom belangrijker.
Moet ik de woning direct verlaten als de kantonrechter mijn vordering afwijst?
Niet altijd. In deze zaak mocht de zoon de huur voortzetten totdat onherroepelijk op zijn vordering was beslist, en weigerde het hof de ontruiming eerder uitvoerbaar te verklaren. Na het arrest moest hij binnen een maand na betekening vertrekken.
Bron: Gerechtshof Amsterdam, uitspraak 1 september 2026, gepubliceerd 2 september 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:2510. De uitkomst hangt af van de feiten van deze zaak.



